![]() |
© Nederlands Jeugdinstituut Catharijnesingel 47 • 3511 GC • Utrecht Postbus 19221 • 3501 DE • Utrecht t: (030) 230 63 44 • f: (030) 230 63 12 e: infojeugd@nji.nl • i: www.nji.nl |
Interventies in de jeugdsector worden steeds vaker getoetst op hun effectiviteit.
Zo kunnen beroepskrachten hun activiteiten baseren op kennis over wat het beste werkt in welke situatie.
Hier vindt u de laatste nieuwsberichten over effectiviteit van jeugdinterventies en aanverwante thema's. Wilt u de berichten per e-mail ontvangen? Neemt u dan een gratis abonnement op de Nieuwsbrief Jeugd.
Oudere berichten zijn terug te vinden in het nieuwsarchief van Nieuwsbrief Jeugd.
Hoe krijg je zicht op de effectiviteit van interventies, wat zijn de kenmerken van effectief werken en hoe komen professionals tot effectiever werken? Dit dossier biedt een overzicht van de kennis en ontwikkelingen op het gebied van effectiviteit meten en effectiever werken. Allereerst wordt geschetst binnen welk kader het werken aan grotere effectiviteit plaatsvindt.
Kennis gebruiken en ontwikkelen
In de kinderdagopvang krijgen kinderen een taalstimuleringsprogramma aangeboden. Werkt dit programma? Doen de kinderen het bijvoorbeeld later op school beter? In een Centrum voor Jeugd en Gezin werkt men toe naar een pakket van programma’s voor opvoedingsondersteuning. Waar is aan te zien dat dit pakket de gewenste resultaten oplevert? En heeft de jeugdzorg goede aanpakken in huis voor jeugdigen met gedragsproblemen?
Doelen en kernboodschappen
In de preventie, het onderwijs, de opvoedingsondersteuning en de jeugdzorg moet effectief gewerkt worden. Daar is iedereen het over eens. Met dit dossier wil het Nederlands Jeugdinstituut antwoord geven op de vraag langs welke weg effectief werken in de praktijk (verder) gestalte kan krijgen. Centraal staan daarbij drie kwesties die in de praktijk, bij beleidsmakers en bij wetenschappers veel in de belangstelling staan:
Over welke effectieve interventies kunnen professionals beschikken?
In het dossier staat informatie over databanken en erkenningscommissies. Die laten zien welke veelbelovende en werkzame interventies er ontwikkeld zijn. Daarnaast toont het dossier uitkomsten van zogeheten 'wat werkt-studies'. Deze geven informatie over de principes van effectief handelen in bepaalde werkvelden of bij bepaalde doelgroepen (bijvoorbeeld: wat werkt er over het algemeen bij kinderen met gedragsproblemen?). Professionals beschikken met dit alles over een schat aan informatie.
De 'wat werkt-studies' geven de belangrijkste richtlijnen voor het effectieve handelen. De interventies in de databanken zijn voorbeelden van goede 'verpakkingen' van deze richtlijnen.
Hoe is de effectiviteit van het werk in de praktijk te meten?
Het meten van de effectiviteit helpt duidelijk te maken waar verbetering nodig is: meten is weten. Wetenschappers en praktijkwerkers kunnen veel aan elkaar hebben als ze gebruikmaken van onderzoeksmethoden die goed passen bij de stand van zaken en de behoeften in de praktijk. Daarnaast is het belangrijk dat het een gewoonte wordt om de resultaten van het werk in de praktijk standaard te monitoren. Het dossier laat zien hoe dat gestalte kan krijgen. De algemene boodschap daarin is dat het meten van effecten essentieel is, maar dat er tijd nodig is om een gedegen antwoord op de effectvraag te krijgen.
Het beantwoorden van effectvragen in de praktijk lijkt op het beklimmen van een effectladder: steeds een sport hoger.
Op welke manier is de effectiviteit van de praktijk verder te ontwikkelen?
In dat kader komen professionalisering, methodiekontwikkeling en implementatie aan bod. Vaak wordt gezegd dat de preventie en jeugdzorg alleen nog maar met 'evidence-based' interventies moeten gaan werken. Dat is echter nog geen garantie voor succes. Het gaat er niet om dat professionals alleen maar volgens de regels bewezen-effectieve interventies uitvoeren. Die regels passen niet altijd bij praktijksituaties. Praktijkwerkers zijn dan ook niet alleen consumenten van kennis over 'wat werkt', maar ook producenten.
Onze kernboodschap is hier: Het gaat uiteindelijk om de effectief werkende professional. Een samenspel tussen het ‘top-down’ implementeren van kennis en het ‘bottum-up’ blootleggen en uitwisselen van wat werkt in de praktijk is essentieel.
Het begrip 'effectiviteit' in de sector jeugd en opvoeding gaat meestal over de effectiviteit van interventies, zoals stimuleringsprogramma's, trainingen en behandelingen. In de jeugdgezondheidszorg betekent 'effectiviteit' soms ook de trefzekerheid en waarde van signalerings- en screeningsinstrumenten (als eerste stap bij het stellen van een diagnose).
In dit dossier gaat het vooral over de effectiviteit van stimuleringsprogramma's, trainingen en behandelingen. Daarnaast komt de effectiviteit aan bod van de instellingen die interventies toepassen.
Een interventie is theoretisch goed onderbouwd (ook wel 'veelbelovend' of 'in theorie effectief' genoemd) als het op basis van theorie en onderzoek aannemelijk is dat de interventie werkzaam kan zijn, terwijl dat nog niet afdoende is aangetoond. Wat 'voldoende aangetoond' inhoudt is afhankelijk van het aantal onderzoeken dat is uitgevoerd naar de werkzaamheid, de kwaliteit van die onderzoeken en de mate van verandering die na afloop van de interventie is vastgesteld.
Goede interventies beschikken over een expliciete theoretische onderbouwing. Die onderbouwing bestaat globaal uit twee onderdelen: een analyse van de factoren die bij een probleem of risico een rol spelen, en een aanduiding van de werkzame bestanddelen van de interventie.
Beschermende en risicofactoren
De theorie geeft aan op welk risico of probleem de interventie gericht is en welke factoren bij het kind of de jongere en zijn omgeving daarbij een rol spelen. In de literatuur wordt dit ook wel de 'analyse van beschermende en risicofactoren' genoemd. De theorie maakt duidelijk hoe deze factoren het risico of probleem veroorzaken, in stand houden, verzwaren of juist verzachten. De theorie beschrijft ook de prognose: wat zou er gebeuren als er niet wordt ingegrepen? Daarnaast geeft de theorie aan welke factoren wel en niet beïnvloedbaar zijn.
Beïnvloedbaar
De beïnvloedbare factoren zijn interessant voor de interventie. Zo blijken de opvoederscompetenties van ouders in achterstandssituaties vaak beïnvloedbaar, bijvoorbeeld de mate waarin zij regels stellen en spelletjes doen met hun kinderen. Het bevorderen van die competenties kan de ontwikkeling van de kinderen op school ten goede komen. Van deze beïnvloedbare factoren maken preventieprogramma's voor de bevordering van onderwijskansen dan ook dankbaar gebruik.
Niet beïnvloedbaar
De niet-beïnvloedbare factoren zijn van belang om de kans van slagen van een interventie in te schatten. Zo zijn de normen en waarden van ouders in een achterstandsbuurt ten aanzien van onderwijs vaak moeilijk beïnvloedbaar, maar ze bepalen meestal wel of de ouders meedoen aan activiteiten op school. Programma's om de betrokkenheid van ouders bij de school te vergroten en daarmee de onderwijskansen van hun kinderen te verbeteren, zullen in groepen met een overwegend negatieve waardenoriëntatie geen hoge successcore behalen.
Werkzame bestanddelen
De volgende vraag waar de theorie aandacht aan besteedt is: hoe moet de interventie verlopen om ook echt te werken? In de literatuur wordt in dit verband vaak gesproken over 'wat werkt?'. Uit veel onderzoek is bekend dat het goed is als een interventie in elk geval een aantal algemeen werkzame ingrediënten bevat: de activiteiten zijn duidelijk doelgericht, verlopen planmatig, sluiten goed aan bij de motivatie en verwachtingen van de cliënt, worden uitgevoerd door professionals die goed getraind zijn en een goede ondersteuning krijgen bij de uitvoering van hun werk. Daarnaast zal de theorie aannemelijk moeten maken welke specifieke aanpak aangewezen is.
Bronnen en meer informatie
Leeuw, F.L. (2003), 'Reconstructing program theories: methods available and problems to be solved,' in: 'American Journal of Evaluation', 24, p.5-20.
Rossi, P.H., M.W. Lipsey en H.E. Freeman (2004), 'Evaluation. A systematic approach' (7e editie). Thousand Oaks, Sage Publications.
Yperen, T.A. van (2003), Resultaten in de jeugdzorg. Begrippen, maatstaven en methoden
. Utrecht, NIZW.
. Delft: Eburon. Een interventie is 'bewezen effectief' als met onderzoek voldoende is aangetoond dat de interventie werkzaam is. Men spreekt van 'waarschijnlijk effectief' als er al wel enig onderzoek is, maar de effectiviteit nog niet voldoende is aangetoond. Maar wat is voldoende en wat is 'enig onderzoek'? Voorop staat dat er voor het predikaat 'bewezen effectief' onderzoek beschikbaar moet zijn dat de effecten empirisch aantoont. Verder wegen verschillende zaken mee, zoals:
Hoeveel zekerheid biedt onderzoek over de gevonden effecten?
Bij het beantwoorden van de vraag naar de zekerheid die onderzoek moet geven over effectiviteit spelen verschillende aspecten een rol, zoals: wordt buitenlands onderzoek ook geaccepteerd? Van welke kwaliteit moet het onderzoek zijn? Hoe betrouwbaar moeten de gebruikte meetinstrumenten zijn? Hoeveel onderzoeken moeten de effecten hebben aangetoond? Hoe groot moeten die effecten zijn?
Hoezeer wegen de risico's van de interventie op tegen niet-behandelen?
Medicamenteuze behandeling van angst bij kinderen wordt in het algemeen alleen als verantwoord beschouwd als het bewijs voor de gunstige effecten (en voor het uitblijven van negatieve bijwerkingen) zeer stevig is. De grens voor 'bewezen effectiviteit' dient hier waarschijnlijk op een strenger niveau te worden gelegd dan bij een faalangstcursus voor leerlingen in het voortgezet onderwijs.
De benodigde investering
Bij het toekennen van het predikaat 'effectief' aan een interventie speelt ook de investering een rol. Om precies te zijn: de balans tussen de investering die nodig is voor ontwikkeling, onderzoek en implementatie van de interventie en de cliëntgebonden of maatschappelijke effecten van de investering. Het ligt voor de hand om zware eisen te stellen aan de behandeling van jonge delinquenten en flink te investeren in de ontwikkeling van deze interventies. Een zelfde investering ligt minder voor de hand bij voorlichtingsprogramma's voor ouders over de juiste keuze van boeken voor hun kinderen.
Geen universele criteria
De vaststelling van de normen voor effectiviteit is geen exclusieve aangelegenheid van wetenschappelijk onderzoekers. Het ligt voor de hand dat wetenschappers aangeven wat er nodig is om een acceptabele mate van zekerheid te verkrijgen over de effectiviteit van interventies. Maar bij de afweging van risico's en investeringen wegen ook ethische en economische motieven mee. De ervaring leert dat er geen universele criteria zijn te formuleren voor 'bewezen effectiviteit'; waarschijnlijk verschilt de balans tussen wetenschappelijke, ethische en economische motieven per cultuur en sector. Juist daarom is expliciete formulering van criteria voor effectiviteit belangrijk.
Meer informatie
Meer informatie over de criteria voor effectiviteit vindt u in:
Yperen, Y. van (2007). Integraal erkend. Naar een afstemming erkenning jeugdinterventies
. Utrecht: Nederlands Jeugdinstituut.
Yperen, Y. van & Bommel, M. van (2009). Erkenning interventies: criteria 2009 - 2010. Erkenningscommissie (Jeugd)Interventies Utrecht / Bilthoven: Nederlands Jeugdinstituut / RIVM.
In de sectoren preventie, opvoedingsondersteuning en jeugdzorg bestaat weinig traditie in de berekening van de gemiddelde kosten van een interventie. Verschillende studies laten zien dat belangrijke kostenbepalende factoren van interventies zijn:
Veel beschrijvingen van interventies bevatten onvoldoende specificaties om de kosten goed te kunnen berekenen. De verwachting is dat dit, mede vanwege een toenemende financiële druk op de sector, snel zal veranderen.
Kosteneffectiviteit
Is een Postbus-51-spotje op tv een goedkopere maar net zo effectieve manier om preventie van kindermishandeling te bereiken als een lespakket en training voor docenten op scholen? Om dat te bepalen wordt gekeken naar de kosteneffectiviteit: de verhouding tussen de effecten en de kosten van een interventie. De kosteneffectiviteit wordt uitgedrukt in het aantal euro's dat nodig is om een bepaald effect te bereiken. Op die manier kunnen bijvoorbeeld verschillende programma's voor ontwikkelingsstimulering worden vergeleken wat betreft de kosten die zij met zich meebrengen om 10 procent minder zittenblijvers te realiseren. Het uitvoeren van dit soort berekeningen is in de jeugdsector nog een noviteit.
Kosten en baten
De kosten van de toepassing van een interventie kunnen ook worden afgezet tegen het nalaten van de ingreep. Wat kost het de samenleving bijvoorbeeld als er geen opvoedingsondersteuning geboden wordt aan allochtone gezinnen om hun onderwijskansen te vergroten? En wat kost het de samenleving als die ondersteuning wel wordt geboden - en wat levert dat voor winst op? Dergelijke berekeningen zijn doorgaans erg moeilijk, omdat ze gebaseerd zijn op verschillende scenario's voor de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Ook zijn ze vaak beladen, omdat in de overwegingen om interventies in te zetten ook ethische en politieke motieven een rol spelen. Zo kan het misschien wel goedkoper zijn om interventies achterwege te laten, maar dat wil nog niet zeggen dat niets-doen moreel acceptabel is. Kosten/baten-analyses kunnen daarom in discussies over het nut van interventies een nuchter onderdeel vormen, maar ze kunnen het debat niet vervangen.
Bronnen en meer informatie
Baecke, J.A.H. en J.I.I. de Jonge (1999), 'Financieringssystematiek en zorgprogrammering in de jeugdzorg'. Den Bosch, Poels & Partners. (Zie ook: Projectgroep Zorgprogrammering (2000), 'Modules en programmas in de jeudgzorg. Eindadvies'. Utrecht/Den Haag, NIZW/VWS.)
Vondervoort, A.G.M. van de en E. Sinnema (2004), 'Naar een nieuw stelsel voor de financiering van het jeugdzorgaanbod. Eindrapport'. Amstelveen, Deloitte Management & ICT Consultants BV.
Welsh, B. (2001), 'Kosten en baten van preventie en behandeling van ernstige en gewelddadige jeugdcriminaliteit', in: R. Loeber, N.W. Slot en J.A. Sergeant (red.), 'Ernstige en gewelddadige jeugddelinquentie. Omvang, oorzaken en interventies' (p.373-389). Houten, Bohn Stafleu Van Loghum.
Kaplan, R.M. en E.J. Groessl (2002), 'Applications of cost-effectiveness methodologies in behavioral medicine', in: 'Journal of Consulting and Clinical Psychology', 70 (nr.3), p.482-493.
Aos, S., R. Lieb, J. Mayfield, M. Miller en A. Pennucci (2004), 'Benefits and costs of prevention and early intervention programs for youth'. Olympia, Washington State Institute for Public Policy. Te downloaden via site WSIPP.
De effectiviteit van interventies speelt ook een rol in breder verband: heeft de interventie een goede plek in de behandeling én in het stelsel van jeugdvoorzieningen, zodat er sprake is van een effectief totaalaanbod? Wanneer interventies gecombineerd worden in een behandeling, en zo een 'keten' vormen, dienen ze alle effectief te zijn. Daarnaast is het belangrijk dat de interventies uitgevoerd worden op het juiste moment door de juiste instelling in de 'keten' van jeugdvoorzieningen. In beide gevallen is de effectiviteit van de afzonderlijke interventies van belang: de keten is zo sterk als zijn zwakste schakel.
Effectieve ketens voor cliënten
Kinderen, jongeren en hun opvoeders die een interventie krijgen zijn, als het goed is, op de juiste manier naar die interventie verwezen en ervoor geïndiceerd. Gezinnen met complexe problemen hebben vaak een combinatie van interventies nodig die gelijktijdig of achtereenvolgens wordt aangeboden. Kinderen met ernstige gedragsproblemen zijn bijvoorbeeld het meest gebaat bij een combinatie van een training voor henzelf en een oudertraining. In veel gevallen is er ook een vorm van nazorg nodig om de resultaten te laten beklijven.
De effectiviteit van een interventie is, kortom, bij dit soort 'ketens' van gecombineerde interventies afhankelijk van de juiste uitvoering van de verschillende onderdelen. Voor dit soort ketens zijn onder de noemer 'zorgprogrammering' in de afgelopen jaren verschillende voorstellen gedaan.
Effectieve ketens van basisvoorzieningen en hulpverlening
Ook een goede opeenvolging van ondersteuning en hulp door verschillende instellingen is belangrijk voor de effectiviteit van interventies. Hierbij gaat het om de 'keten' van pedagogische basisvoorzieningen, het preventieve aanbod en de gespecialiseerde voorzieningen in jeugdzorg en het onderwijs. Centrale vraag daarbij is hoe door een goede schakeling tussen die voorzieningen kinderen en jongeren effectief ondersteund kunnen worden, zodat hun ontwikkeling optimaal verloopt en problemen worden voorkomen of zo snel mogelijk worden verholpen.
Getrapte aanpak
De beroepsopvoeders in pedagogische basisvoorzieningen, zoals kinderleidsters en leerkrachten, kunnen ouders voorlichten en ondersteunen bij de aanpak van veelvoorkomende, 'gewone' gedragsproblemen van hun kinderen. Bij 'gewone problemen' valt te denken aan bijvoorbeeld koppigheid, slaan of pikken van andermans spullen.
Kinderen en opvoeders die geen baat hebben bij dit aanbod, moeten een lichte vorm van hulp kunnen krijgen om de gedragsregulatie alsnog in orde te krijgen. Sommige kinderen en ouders hebben ook daaraan niet genoeg. Zij moeten specialistische hulp hunnen krijgen. Zo'n 'getrapte aanpak' staat ook wel bekend als 'stepped care'. Essentieel is dat elke stap bestaat uit effectieve interventies en daaromheen noodzakelijke ketens. Deze manier van denken is in het stelsel van jeugd en opvoeding nog onderontwikkeld.
Bronnen en meer informatie
Projectgroep Zorgprogrammering (2000). 'Modules en programma's in de jeugdzorg. Eindadvies.' Utrecht: NIZW.
Yperen, T. (2007) 'Schakelen. Naar een effectief stelsel voor jeugd en opvoeding.' Utrecht: Nederlands Jeugdinstituut / Universiteit Utrecht.
Naast de diverse typen effectiviteit bestaan er nog andere termen die iets zeggen over het effect van een interventie.
Resultaat
De term 'resultaat' geldt als een soort verzamelnaam. Een resultaat omvat bijvoorbeeld de mate van uitval van cliënten, de mate waarin vaardigheden zijn toegenomen, risico's zijn verkleind of problemen zijn afgenomen, de mate waarin doelen zijn gerealiseerd en cliënten tevreden zijn. In het Engels wordt hiervoor wel de term 'outcome' gebruikt.
Verandering
Er is sprake van een 'verandering' als er na de interventie iets is gewijzigd, ongeacht de vraag of dat aan de interventie is toe te schrijven en of de verandering positief of negatief is. Dit heet ook wel 'effectiviteit in ruime zin': de kinderen zijn taalvaardiger geworden, ouders zijn pedagogisch vaardiger, de jongeren laten minder gedragsproblemen zien, hebben minder kans om weer in delictgedrag te vervallen.
Doeltreffend
Een interventie is 'doeltreffend' als er na de interventie de gewenste verandering is opgetreden (in het Engels: 'effectiveness'). Bijvoorbeeld: ouders krijgen een programma om hun kinderen zich beter te laten gedragen. Na het programma zijn de ouders pedagogisch vaardiger, maar het gedrag van de kinderen is er niet beter op geworden. Het programma brengt dan wel verandering te weeg maar is niet doeltreffend.
Werkzaam
Een interventie heet 'werkzaam' als is aangetoond dat de gewenste verandering daadwerkelijk door de interventie is bewerkstelligd (in het Engels aangeduid als 'efficacy').
Voor de bevordering van de effectiviteit van de jeugdsector geldt: effectieve zorg en dienstverlening zijn niet synoniem aan het werken met bewezen effectieve interventies (ook wel 'evidence-based practice' genoemd). Centraal staat altijd het effectief handelen van de professional, en idealiter gebruikt hij bewezen effectieve interventies.
Praktijkkennis
Niet voor elke situatie ligt een bewezen effectieve interventie op de plank. De professional maakt daarom ook gebruik van ervaringskennis en is voor een deel aangewezen op vernieuwing en improvisatie. In die zin is de professional niet alleen consument van kennis over bewezen effectieve interventies, maar ook producent van kennis over succesvolle interventies. Hij kan anderen van die kennis laten profiteren door te laten zien welke aanpak goede resultaten oplevert (ook wel het tonen van 'practice-based evidence' genoemd). In een schema ziet dat er zo uit:

Nuanceringen bij effectiviteit
Andere uitgangspunten bij de bevordering van effectiviteit van interventies zijn samen te vatten in drie principes:
Veel interventies die in de praktijk worden gebruikt zijn niet zonder meer aan te duiden als 'bewezen effectief'. Dat betekent nog niet dat de kwaliteit van die interventies slecht is. Effectiviteit is geen alles-of-niets-zaak.
Van Yperen en Veerman (2008) hebben een kader opgesteld waarin de effectiviteit van interventies is ingedeeld in een aantal niveaus. Zij gaan daarbij uit van verschillende soorten effectiviteit die onderscheiden kunnen worden. Ook stellen zij voor het begrip 'effectiviteit' en het effectonderzoek te koppelen aan het ontwikkelingsstadium waarin een interventie verkeert. Daarvoor hebben zij de zogenaamde 'effectladder' ontwikkeld.
Niveau 0: werken met impliciete kennis
Op niveau 0 van de effectladder is er sprake van een interventie die 'in de hoofden' van de uitvoerders zit. De praktijkwerkers ondersteunen bijvoorbeeld ouders op een volgens hen methodische manier, maar wat ze precies doen en waarom dat zou werken is voor anderen niet duidelijk op papier gezet. Dit kan een bijzonder effectieve interventie zijn, maar de werkwijze en resultaten zijn voor buitenstaanders niet duidelijk. Dat hindert ook de overdraagbaarheid van de interventie aan vakgenoten.
Niveau 1: goed beschreven interventies
Op niveau 1 van de effectladder is de aard van de interventie nader omschreven en gespecificeerd. De aandacht gaat vooral uit naar het doel van de interventie, de doelgroep, de aanpak en de randvoorwaarden voor de uitvoering. Door deze explicitering is de werkwijze van de interventie te begrijpen, de kans op effectiviteit enigszins in te schatten en de aanpak gemakkelijker overdraagbaar.
Bijvoorbeeld: 'Het programma voor ouders die moeten leren omgaan met hun koppige peuters bestaat uit vijf bijeenkomsten met huiswerkopdrachten: (1) De ontwikkeling en gewone problemen met peuters; (2) Kijken naar gedrag van je kind en jezelf; (3) Aandacht geven aan gewenst gedrag werkt beter; (4) Wat doe je als het echt spaak loopt?; (5) Als je kind ouder wordt.' Deze korte omschrijving laat al zien dat de interventie elementen lijkt te bevatten van bekende effectieve ouderprogramma's voor kinderen met gedragsproblemen.
Niveau 2: interventies met theoretische bewijskracht zijn veelbelovend
Het formuleren van een goede interventietheorie ('program theory') maakt een interventie in theorie effectief of 'veelbelovend'. Interventies in de databank Effectieve Jeugdinterventies op deze website voldoen minstens aan dit niveau. Op niveau 2 van de effectladder gaat het om een aannemelijk verhaal dat de interventie kan werken. Als daarbij gerefereerd wordt aan algemeen aanvaarde en met onderzoek ondersteunde theorieën komt de interventie nog sterker te staan.
Het hierboven genoemde ouderprogramma kan bijvoorbeeld onderbouwd worden door aan te sluiten bij de theorie van de zogenaamde 'coercive patterns' in opvoeden: patronen waarin ouders op steeds negatiever gedrag van hun kind met steeds negatiever opvoedersgedrag reageren, zoals dwang en dreiging. Dat gedrag kan doorbroken worden door ouders een aanpak te leren waarin zij vooral aandacht besteden aan positief gedrag van hun kind. Er is veel onderzoek dat laat zien dat dit werkt.
Niveau 3: interventies met voorlopige bewijskracht
Een goede omschrijving (niveau 1) en onderbouwing (niveau 2) laten het wat en waarom van een interventie zien. Als vastgesteld kan worden dat de geformuleerde doelen of gewenste veranderingen bereikt zijn, en bovendien is vastgesteld dat de interventie ook volgens plan verstrekt is aan de beoogde doelgroep, dan is de bewijsvoering van een effectieve interventie weer een stapje verder gebracht. Om dit allemaal te kunnen constateren moet er gemeten worden.
Het meten vormt de kern van niveau 3 van de effectladder: er zijn cijfers beschikbaar die laten zien dat de doelgroep wordt bereikt, dat de doelen van de interventie worden gerealiseerd, dat er weinig cliënten zijn die voortijdig afhaken, dat de cliënten tevreden zijn. Deze gegevens leveren de eerste indicaties op voor de effectiviteit van de interventie. Immers, als zou blijken dat bij de doelgroep maar een fractie van de doelen wordt gehaald, zouden er maar weinig mensen zijn die de interventie effectief durven noemen. Daar staat tegenover dat als wél bij velen de doelen zijn bereikt, het nog niet zeker is dat dit aan de interventie te danken is. Er kan ook sprake zijn van bijvoorbeeld veelvoorkomend spontaan herstel.
Niveau 4: interventies met causale bewijskracht zijn bewezen effectief
Interventies die voldoende causale bewijskracht hebben zijn 'bewezen effectief' te noemen: de gemeten verbetering is toe te schrijven aan de gebruikte interventie. Dit is het hoogste niveau van effectiviteit, mits de interventie ook op de andere niveaus goed ontwikkeld is. Op niveau 4 van de effectladder is er sprake van een goed omschreven, theoretisch onderbouwde en in de praktijk getoetste aanpak, waarbij bovendien is aangetoond dat de interventie beter is dan 'geen interventie' en een 'andere interventie'. Daarvoor is een vergelijking nodig met een groep die geen hulp heeft ontvangen en een groep die de interventie niet gekregen heeft maar wel een ander aanbod.
Niveaus van onderzoek en bewijskracht
Veerman en Van Yperen hebben de verschillende effectiviteitsniveaus gekoppeld aan soorten onderzoek die daarin een functie kunnen vervullen. De verschillende soorten onderzoek zijn door het Nederlands Jeugdinstituut vertaald naar verschillende niveaus van bewijskracht die de Erkenningscommissie Interventies gebruikt bij de beoordeling van de effectiviteit van interventies: hoe meer bewijskracht, hoe zekerder de uitspraak over de effectiviteit kan worden gedaan. Alles is bij elkaar op een 'effectladder' gezet die aangeeft welke stappen genomen moeten worden om een interventie naar het hoogste niveau te brengen. Een praktische gids voor het werken met deze effectladder en een toelichting op de verschillende soorten onderzoek zijn te vinden in het 'Handboek Zicht op Effectiviteit'.
| Effectladder | |||
|---|---|---|---|
| Niveau effectladder | Soorten onderzoek | Erkenning | |
| 4. | Is de interventie werkzaam? |
|
Bewezen effectief of waarschijnlijk effectief afhankelijk van:
|
| 3. | Is de interventie doeltreffend? |
|
|
| 2. | Is de interventie in theorie effectief? |
|
Theoretisch goed onderbouwd |
| 1. | Is de interventie goed beschreven? |
|
|
| 0. | Is de interventie impliciet (black box)? | ||
Sommige niveaus van de effectladder hebben geen equivalent in erkenning van de commissie. Die niveaus moeten worden gezien als belangrijke tussenstappen om tot een erkennning te komen. Bijvoorbeeld, via doelrealisatie-onderzoek komt men erachter of een interventie bij lijkt te dragen aan het bereiken van de doelen van de preventie of zorg. Als dat niet het geval is, heeft het ook geen zin om geavanceerder onderzoek ten behoeve van een erkenning in gang te zetten.
Van effectief in de praktijk naar bewezen effectief
Voor interventies die in de praktijk gebruikt worden maar die niet of nauwelijks geëxpliciteerd, onderbouwd en effectief gebleken zijn betekent de effectladder een opeenvolging van stappen die ondernomen moeten worden om de interventie tot een bewezen effectieve status te brengen. Veerman en Van Yperen hebben handreikingen geformuleerd om van het ene naar het andere niveau te komen. In veel praktijkorganisaties is de effectladder het kader geworden om methodiekontwikkeling en verschillende soorten effectonderzoek in een gefaseerd proces te laten verlopen.
Bronnen en meer informatie
Kazdin, A.E. (red., 2003), 'Methodological issues and strategies in clinical research' (derde editie). Washington D.C., American Psychological Association.
Loon, D. van en B. van der Meulen (2004), 'Effectonderzoek naar vroegtijdige orthopedagogische interventies. Methodologische moeilijkheden en mogelijkheden'. Amsterdam, Boom.
Rossi, P.H., M.W. Lipsey en H.E. Freeman (2004), 'Evaluation. A systematic approach' (7e editie). Thousand Oaks, Sage Publications.
Shadish, W.R., T.D. Cook en D.T. Campbell (2002), 'Experimental and quasi-experimental designs for generalized causal inference'. Boston, Houghton Mifflin Company.
Veerman, J.W. en T.A.Yperen (2007), 'Degrees of freedom and degrees of certainty. A developmental model for the establishment of evidence-based youth care. Evaluation and Program Planning', 30 (2), 212-221.
Yperen, T.A. van (2007), 'Integraal erkend. Naar een afstemming erkenning jeugdinterventies'. Utrecht: Nederlands Jeugdinstituut.
Yperen, T.A. van en J.W. Veerman (2008, red.). 'Zicht op effectiviteit. Handboek voor praktijkgestuurd effectonderzoek onderzoek in de jeugdzorg'. Delft: Eburon. Te bestellen op de website van uitgeverij Eburon.
Yperen, Y. van & Bommel, M. van (2009). 'Erkenning interventies: criteria 2009 - 2010. Erkenningscommissie (Jeugd)Interventies'. Utrecht / Bilthoven: Nederlands Jeugdinstituut / RIVM.
Wartna, B.S.J. (2005), 'Evaluatie van daderprogramma's. Een wegwijzer voor onderzoek naar de effecten van strafrechtelijke interventies speciaal gericht op het terugdringen van recidive'. Meppel, Boom Juridische Uitgevers.
'Effectiviteit van hulp of dienstverlening' is geen geïsoleerd begrip. Effectiviteit moet altijd gezien worden tegen de achtergrond van onder meer het doel van de hulp of dienstverlening, de middelen die ervoor worden ingezet, de cliënten voor wie het bestemd is (en voor wie niet) en de keten van voorzieningen die de hulp of dienst verlenen.
Kwaliteitsmodellen
Verschillende beleidsinitiatieven zijn erop gericht een duidelijk kader te scheppen waarbinnen de effectiviteitsbepaling moet plaatsvinden. Daarbij wordt gebruikgemaakt van kwaliteit- en managementmodellen die verschillende onderdelen van de kwaliteit van een organisatie onderscheiden en in samenhang brengen. Die modellen spelen een grote rol bij de kwaliteitstoetsing van instellingen: voldoet de instelling aan de gestelde normen in het model, dan is zij gecertificeerd als een goede aanbieder van de hulp of dienst.
Er bestaan verschillende modellen voor kwaliteitsbepaling van hulp en dienstverlening:
Wet- en regelgeving
De Nederlandse wet- en regelgeving vormt het meest basale kader voor de kwaliteit van hulp en dienstverlening. In wetten en algemene maatregelen van bestuur zijn de basisvereisten vastgelegd waaraan aanbieders van zorg en diensten moeten volden. Verschillende inspecties van gemeentelijke en landelijke overheden zijn belast met het toezicht op de naleving van deze wet- en regelgeving.
Kwaliteitskaders NEN en ISO
Ook de kwaliteitskaders van het Nederlands Normalisatieinstituut (NEN) en de International Standard Organisation (ISO) worden in veel modellen gebruikt. Op de websites van deze organisaties, www.nen.nl en www.iso.org, vindt u (internationale) kwaliteitsmanagementsystemen en -normen voor onder meer de gezondheidszorg.
INK-model
Een veelgebruikt kwaliteitsmodel voor non-profitorganisaties is het model van het Instituut Nederlandse Kwaliteit (INK). Opvallend aan het INK-model is dat het een sterk accent legt op de kwaliteit van het resultaat van de hulp. Dat resultaat moet gewaardeerd worden door verschillende partijen: medewerkers, klanten en maatschappij. Verder specificeert het model onderdelen van de organisatie waarmee de resultaten moeten worden gerealiseerd, zoals de kwaliteit van het leiderschap, de medewerkers, het beleid, de materiële voorzieningen, de praktische organisatie en de werkprocessen.
Meer informatie vindt u op www.ink.nl.
HKZ-model
Voor zorginstellingen wordt ook veel gebruikgemaakt van het HKZ-model (Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling Zorgsector). Een belangrijk kenmerk van dit kwaliteitsmodel is dat het enkele basisstappen in het zorgproces onderscheidt, zoals intake, uitvoering en evaluatie. Vervolgens worden daaraan kwaliteitsaspecten en –normen gekoppeld.
Meer informatie vindt u op www.hkz.nl.
Certificering
De kwaliteitsmodellen spelen een grote rol bij de certificering van instellingen. Gecertificeerde instellingen moeten klanten en financiers de zekerheid bieden dat hun kwaliteit in een aantal opzichten goed geregeld is. Op internet kunt u uiteenlopende informatie vinden over (HKZ-)certificering:
Nog geen effectmeting
Bij de certificering hoort wel een kanttekening. Veel van de gebruikte kwaliteitsmodellen stellen nog niet als eis dat instellingen de resultaten van hun hulp of dienstverlening via een effectcontrole concreet in beeld brengen. Een gecertificeerde instelling biedt dus nog niet per definitie effectieve diensten of zorg. Om die effectiviteit aan te tonen is het nodig dat er gemeten wordt. Er zijn inmiddels andere ontwikkelingen waarin meer werk gemaakt wordt van effectiviteitsmeting. Daarover vindt u in dit dossier informatie bij prestatie-indicatoren en praktijkonderzoek.
Meer informatie
Ahaus, C.T.B. en F.J. Diepman (1998, 2001), 'Balanced Scorecard & Model Nederlandse Kwaliteit'. Deventer: Kluwer.
Zoest, C. van (2002), 'Kwaliteitszorg voor non-profitorganisaties'. Soest: Nelissen.
Effectief werken en bevordering van de effectiviteit van de hulp of dienstverlening zijn geen zaken van de professional alleen. Verschillende partijen hebben daarin een verantwoordelijkheid:
In de jeugdsector is deze rolverdeling in veel gevallen nog niet geregeld. Daarom zijn er momenteel grootschalige projecten om bijvoorbeeld het meten van de effectiviteit in de sector beter vorm te geven, de professionalisering te bevorderen, de kennis over 'wat werkt' stevig in de sector te verankeren en de invoering van goede interventies te waarborgen.
Het meten van de effectiviteit van interventies is een belangrijke voorwaarde voor het verbeteren van de kwaliteit van de zorg. Daarom besteedt de jeugdsector steeds meer aandacht aan het meten van effecten. In dit deel van het dossier komen onderwerpen aan bod die daarbij van belang zijn.
Professionele methodieken zijn theoretisch goed onderbouwd en met onderzoek op hun effect getoetst. Voor dergelijk onderzoek zijn verschillende methoden ontwikkeld.
Niet-experimenteel kwaliteitsonderzoek
In een niet-experimenteel kwaliteitsonderzoek staat de vraag centraal wat de kwaliteit is van een interventie, zonder vergelijking met een andere cliënt of groep bij wie geen of een andere interventie is toegepast. Voorbeelden van dergelijk onderzoek zijn: hoe tevreden zijn de cliënten, in welke mate zijn de doelen van de interventie bereikt, in welke mate voldoet de interventie aan kwaliteitsstandaarden, welk percentage van de deelnemers haakt af? In de praktijk wordt dit soort onderzoek vaak uitgevoerd.
Niet-experimenteel veranderingsonderzoek
Een bijzondere vorm van kwaliteitsonderzoek die ook veel in de praktijk wordt toegepast is veranderingsonderzoek. Daarbij worden kenmerken van cliënten voor en na de interventie gemeten. Bij een trainingsprogramma voor kinderen met gedragsstoornissen helpt bijvoorbeeld een gedragsvragenlijst voor de ouders de aanwezige problemen voor en na de interventie vast te stellen. Het verschil tussen de voor- en nameting geeft dan een eerste indicatie van de effectiviteit van de interventie.
Een bijzondere variant hierop is veranderingsonderzoek waarvan de uitkomsten worden vergeleken met een externe norm (ook wel ‘Normgerelateerd veranderingsonderzoek’ of ‘benchmarkstudie’ genoemd). Bijvoorbeeld, de resultaten van het nieuwe trainingsprogramma worden vergeleken met de uitkomsten van experimenteel effectonderzoek bij soortgelijke trainingsprogramma’s die als ‘bewezen effectief’ te boek staan. Dit soort studies kunnen belangrijke eerste aanwijzingen leveren voor de effectiviteit van interventies.
De laatste jaren ontstaan varianten waarbij gezocht wordt naar een verband tussen de uitkomsten in een groep en bijvoorbeeld:
Als een dergelijke studie bedoeld is om vooraf voorspelde verbanden te toetsen, dan spreekt men van het zogeheten ‘Veranderingstheoretisch onderzoek’. Dat kan sterke aanwijzingen opleveren voor de effectiviteit van een interventie, zeker als verschillende studies consistent dezelfde verbanden aantonen.
Casestudies (N=1 onderzoek)
Een aparte vorm van veranderingsonderzoek is de casestudie. Kenmerkend daarbij is dat de toestand van één onderzoeksobject - bijvoorbeeld een kind, opvoeder, leerkracht, school of wijk - op verschillende momenten wordt beschreven: vóór de interventie, tijdens de interventie en wanneer veranderingen optreden. Meestal vinden de metingen meermalen plaats, zodat het verloop van de veranderingen als gevolg van de interventie goed is te zien.
Een variant van deze opzet is de herhaalde casestudie. Daarin toetst de onderzoeker de resultaten uit een eerdere studie door het onderzoek te herhalen bij nieuwe gevallen. Komen daar steeds weer dezelfde resultaten uit, dan is het steeds aannemelijker dat de interventie een rol speelt in de geconstateerde veranderingen. Een herhaalde casestudie kan in dat geval een krachtig bewijs leveren voor de effectiviteit.
(Quasi-)Experimenteel onderzoek
Het hoofdkenmerk van experimenteel effectonderzoek is dat de interventie waar het onderzoek over gaat - de experimentele conditie - wordt vergeleken met een andere interventie of met een groep waarbij geen interventie is toegepast - de controleconditie.
In het ideale geval zijn de proefpersonen willekeurig over de experimentele en de controlegroep verdeeld. Zo'n onderzoek is een RCT: een 'randomized controlled trial' of 'randomized clinical trial'.
In de praktijk van de hulpverlening wordt zelden een RCT uitgevoerd. Vaak krijgen hulpverleners of cliënten een stem bij de verdeling van de proefpersonen over de twee groepen. Ook komt het voor dat groepen uit verschillende instellingen met elkaar vergeleken worden, waarbij bij de ene groep interventie X is toegepast en bij de ander interventie Y. In zulke gevallen is er sprake van quasi-experimenteel onderzoek.
Metastudies
Als er verschillende effectonderzoeken naar een interventie zijn verricht, stemmen de resultaten vaak niet precies overeen. De ene studie laat bijvoorbeeld zien dat de interventie in alle opzichten effectief is, terwijl het andere onderzoek uitwijst dat de resultaten op sommige onderdelen gunstig zijn maar op andere niet. Metastudies zetten al dit soort resultaten op een rij. Met speciale procedures en technieken worden de uitkomsten met elkaar vergeleken en worden de factoren onderzocht die eventuele verschillen kunnen verklaren. Zo wordt duidelijk of een interventie over het algemeen wel of niet effectief is.
Welk onderzoek is beter?
Er is de laatste jaren veel discussie over de vraag welke onderzoeksopzet het ultieme bewijs voor effectiviteit levert. Goed effectonderzoek vertoont drie kenmerken:
Het komt zelden voor dat effectstudies aan alle criteria voldoen. Dat pleit voor een goede spreiding van verschillende soorten studies.
Onderzoek en de databank Effectieve Jeugdinterventies
Om in de databank Effectieve Jeugdinterventies opgenomen te worden moet een interventie minstens van de Erkenningscommissie Interventies de kwalificatie hebben ‘Theoretisch goed onderbouwd’. Vervolgens zijn ook de kwalificaties ‘Waarschijnlijk effectief’ of ‘Bewezen-effectief’ te halen. Cliënttevredenheidsstudies, doelrealisatie-onderzoek en veranderingsonderzoek zonder benchmarks helpen de eerste indicaties voor effectiviteit te vinden, maar zijn niet voldoende voor deze kwalificaties. Voorwaarde is dat er sprake is van normgeralateerd veranderingsonderzoek, veranderingstheoretisch onderzoek, N=1-onderzoek of (quasi-) experimenteel onderzoek.
Bronnen en meer informatie
Kazdin, A.E. (red., 2003). 'Methodological issues and strategies in clinical research' (derde editie). Washington D.C., American Psychological Association.
Loon, D. van, & Meulen, B. van der (2004). 'Effectonderzoek naar vroegtijdige orthopedagogische interventies. Methodologische moeilijkheden en mogelijkheden'. Amsterdam, Boom.
Rossi, P.H., Lipsey, M.W., & Freeman, H.E. (2004). 'Evaluation. A systematic approach' (7e editie). Thousand Oaks, Sage Publications.
Shadish, W.R., Cook, T.D., & Campbell, D.T. (2002). 'Experimental and quasi-experimental designs for generalized causal inference'. Boston, Houghton Mifflin Company.
Veerman, J.W., & Yperen, T.A. van (2005). Paper gepresenteerd op de preconference workshop 'Jeugdzorg in onderzoek: focus op effectiviteit', Amsterdam, 27 januari 2005. Nijmegen/Utrecht, Radbouduniversiteit/Universiteit Utrecht.
Yperen, T.A. van & Veerman, J.W. (red., 2008). 'Zicht op effectiviteit. Handboek voor praktijkgestuurd effectonderzoek onderzoek in de jeugdzorg'. Delft, Eburon.
Wartna, B.S.J. (2005). 'Evaluatie van daderprogramma's. Een wegwijzer voor onderzoek naar de effecten van strafrechtelijke interventies speciaal gericht op het terugdringen van recidive'. Meppel, Boom Juridische Uitgevers.
Wanneer is het effect dat in een onderzoek is aangetoond de moeite waard? Drie factoren zijn belangrijk bij het beantwoorden van die vraag: de statistische significantie, de klinische significantie en de effectgrootte.
Statistische significantie
Tot voor kort werd het effect van een interventie vooral uitgedrukt in een statistisch significant verschil tussen een voor- en een nameting of tussen een nameting in een experimentele en een controlegroep. Een verschil is statistisch significant als de kans klein is dat het door toeval is ontstaan. In een onderzoeksrapport staat bijvoorbeeld dat na de interventie de gemiddelde risicoscore van de interventiegroep 21 punten lager is dan die van de controlegroep en dat dit verschil een significantie heeft van p=0.05. 'P' staat voor 'probability', ofwel waarschijnlijkheid. Bij p=1 is het waarschijnlijk dat het gevonden verschil op toeval berust. Hoe dichter p uitkomt bij 0, hoe groter de kans dat het verschil een gevolg is van de interventie. Onderzoekers gebruiken vaak p=0.05 als grens: als p kleiner is dan 0.05 is het verschil significant.
Een probleem bij deze aanpak is dat grote verschilscores in kleine groepen vaak statistisch niet significant zijn. En bij grote groepen kunnen kleine verschillen weliswaar als significant uit de bus komen, maar praktisch gezien weinig waarde hebben.
Klinische significantie
Omdat de statistische significantie van een verschil niet altijd relevant is, kijken onderzoekers vaak ook naar de klinische significantie. Ze gaan na bij hoeveel cliënt na de interventie het risico is verdwenen, het probleem is opgelost of de situatie weer normaal is. Hoe meer cliënten na een interventie 'genezen' zijn, hoe effectiever de interventie.
Effectgrootte
De laatste jaren rapporteren onderzoekers vaak ook de zogeheten effectgrootte, ofwel 'effectsize' (ES), in hun onderzoeken en metastudies. De effectgrootte is een indexcijfer dat aangeeft in hoeverre het gevonden verschil afwijkt van de waarde 0, waarbij er geen verschil is.
Toepassing effectgrootte
Het indexcijfer voor effectgrootte wordt in het algemeen op twee manieren toegepast:
De verwachting is dat ook in de praktijk van de jeugdzorg de effectgrootte een steeds belangrijkere maatstaf zal worden. Daarom vindt u hier een gedetailleerde uitleg over de effectgrootte.
Overigens zijn voor het beoordelen van een interventie niet alleen de factoren statistische significantie, klinische significantie en effectgrootte belangrijk, maar ook de kosteneffectiviteit. Elders in dit dossier vindt u meer informatie over kosteneffectiviteit.
Cohens 'd'
De bekendste index voor effectgrootte is Cohens 'd'. Deze maat kan zowel een negatieve als een positieve waarde hebben. Bij een positieve waarde wijst de index op een gunstig effect van de interventie, bij een negatieve waarde is het effect averechts. In theorie kan het indexcijfer elke waarde aannemen, maar meestal schommelt 'd' tussen -2.0 en +2.0. De index leidt geregeld tot misverstanden. Zo is het de vraag hoe een effectgrootte van bijvoorbeeld .40 geïnterpreteerd moet worden. Is dat wel of geen goed resultaat? Onderstaand schema, gebaseerd op een publicatie van Cohen, biedt vuistregels om het indexcijfer te interpreteren.
| Interpretatie Cohens 'd' | |
|---|---|
| een 'd' tussen | wijst op |
| 1.3 en hoger | een zeer groot effect |
| .80 en 1.29 | een groot effect |
| .50 en .79 | een middelgroot effect |
| .20 en .49 | een klein effect |
| -.19 en .19 | geen of een verwaarloosbaar effect |
| -.20 en -.49 | een klein negatief effect |
| et cetera | et cetera |
De vraag wat een effectgrootte van .40 betekent, is nu eenvoudig te beantwoorden: het is een klein effect.
Beter of slechter af
Onderzoekers vertalen de effectgrootte 'd' nogal eens in het percentage niet-behandelde cliënten dat beter of slechter af is dan de gemiddelde behandelde cliënt. In een onderzoeksrapport staat bijvoorbeeld: door de interventie is het gemiddelde behandelde kind beter af dan 66 procent van de niet-behandelde kinderen. Dat lijkt een goed resultaat, maar schijn bedriegt. Voor een gemiddeld persoon geldt namelijk in elke situatie dat 50 procent van de anderen slechter af is en 50 procent beter af - daarom heet zo iemand ook 'gemiddeld'. Die regel gaat ook op als een interventie niet werkt: dan is het gemiddelde behandelde kind beter af dan 50 procent van de niet-behandelde kinderen.
Naarmate een interventie effectiever is, zal de gemiddelde persoon die de interventie krijgt beter af zijn dan een steeds groter percentage personen die de interventie niet krijgen. Hoe effectiever, hoe hoger de gemiddelde cliënt boven die 50-procent-scheidslijn uitkomt. Alan Carr (2000) heeft uitgerekend welke percentages horen bij welke effectgrootten. In onderstaande tabel is dat vertaald naar een aantal vuistregels.
| Vuistregels Cohens 'd' | ||
|---|---|---|
| Bij een 'd' tussen | is het effect | en is de cliënt in het algemeen beter af dan … procent van de cliënten zonder interventie |
| 1.3 en hoger | zeer groot | ± 90 % of meer |
| .80 en 1.29 | groot | ± 80-90 % |
| .50 en .79 | middelgroot | ± 70-80 % |
| .20 en .49 | klein | ± 60-70 % |
| -.19 en .19 | verwaarloosbaar | ± 40-60 % |
| -.20 en -.49 | klein negatief | ± 30-40 % |
| et cetera | et cetera | et cetera |
Als een onderzoeker rapporteert dat door de interventie het gemiddelde behandelde kind beter af is dan 66 procent van de niet-behandelde kinderen gaat het dus om een klein effect.
Groot is goed?
Een middelgrote tot zeer grote 'd' kan veel indruk maken. Maar dat wil nog niet zeggen dat de interventie een voldoende klinische significantie heeft, ofwel dat ze bij veel cliënten tot 'genezing' leidt. Een mooi voorbeeld daarvan zijn enkele vormen van intensieve pedagogische thuishulp. Onderzoek laat zien dat het effect op de gedragsproblemen bij kinderen uitkomt boven d = .50. Bij nadere beschouwing blijkt dat de gedragsproblemen bij veel kinderen bij het begin van de hulpverlening extreem ernstig waren en bij afsluiting van de hulp nog 'slechts' ernstig. De hulp levert dus wel resultaat op, maar nog niet genoeg.
Klein maar fijn?
Daar staat tegenover dat kleine effecten niet per definitie waardeloos zijn. Zo kan een klein resultaat waardevol zijn bij risico's of problemen die zich moeilijk laten aanpakken. Ook de mate waarin een interventie leed of ellende kan voorkomen, kan een reden zijn dat een klein effect toch belangrijk is. Een effectgrootte van .40 voor een interventie ter voorkoming van kindermishandeling betekent dat een aantal kinderen ernstig leed is bespaard.
Bronnen en meer informatie
Carr, A. (red., 2000). 'What works for children and adolescents? A critical review of psychological interventions with children, adolescents and their families'. London, Routledge.
Coe, R. (2000). 'What is an effect size? A guide for users'. Durham, Curriculum, Education and Management (CEM) Centre. Te downloaden via de site van het CEM Centre.
Cohen, J. (1992). 'A power primer', in: 'Psychological Bulletin', jaargang 112, nummer 1, p.155-159.
Lane, D.M. (2003). 'Hyperstat online textbook. Chapter 18. Measuring Effect Size.' Houston, Rice University. Te vinden op Hyperstat online.
Een prestatie-indicator is een meetlat die laat zien in welke mate een prestatie wordt geleverd of een vastgesteld doel wordt gehaald. Het is gereedschap om een idee te krijgen van de kwaliteit van de zorg. Voorbeelden van prestatie-indicatoren zijn:
Het werken met prestatie-indicatoren is in ziekenhuizen heel bekend. Er zijn websites die de mogelijkheid bieden om ziekenhuizen met elkaar te vergelijken aan de hand van indicatoren, bijvoorbeeld www.kiesbeter.nl. In de jeugdsector groeit momenteel het gebruik van prestatie-indicatoren, getuige initiatieven in:
Valkuilen
Prestatie-indicatoren verzinnen om de effectiviteit van de zorg en dienstverlening te meten is niet moeilijk. Goed omgaan met prestatie-indicatoren des te meer. Waarschuwingen zijn er genoeg:
Zinvolle informatie
Aandacht voor verstandig gebruik van prestatie-indicatoren is dus geen overbodige luxe. Een belangrijk uitgangspunt is dat prestatie-indicatoren een zinvolle betekenis moeten hebben. Een bekend hulpmiddel om dat uitgangspunt te realiseren is de 'balanced scorecard' (Ahaus en Diepman, 1998). Die beschrijft hoe het gebruik van prestatie-indicatoren kan bijdragen aan de kwaliteitsverbetering van organisaties. Vrij vertaald en ingevuld voor de jeugdsector komt dat hierop neer:
De kunst is dus prestatie-indicatoren te formuleren die duidelijk maken of een instelling goed werk levert én die betrekking hebben op zaken waarbij voor iedereen duidelijk is wie de verantwoordelijkheid en de bevoegdheden heeft om verbeteringen tot stand te brengen als dat nodig blijkt. Wie een prestatie-indicator wil verzinnen moet dan ook twee vragen ondubbelzinnig kunnen beantwoorden:
Bronnen en meer informatie
Ahaus, C.T.B. & Diepman, F.J. (1998, 2001). 'Balanced Scorecard & Model Nederlandse Kwaliteit'. Deventer, Kluwer.
Burijn, H. de (2001). 'Prestatiemeting in de publieke sector. Tussen professie en verantwoording'. Utrecht, Lemma.
Freidson, E. (2001). 'Professionalism. The third logic'. Chicago, The University of Chicago Press.
Groenewoud, A.S. & Huijsman, R. (2003). 'Prestatie-indicatoren voor de kiezende zorggebruiker'. Den Haag, ZonMw.
Splunteren, P. van, Everdingen, J. van e.a. (2003). 'Doorbreken met resultaten. Verbetering van de patiëntenzorg met de Doorbraakmethode'. Assen, Van Gorcum.
Tonkens, E. (2004). 'Mondige burgers, getemde professionals. Marktwerking, vraagsturing en professionaliteit in de publieke sector'. Utrecht, NIZW.
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2004). 'Bewijzen van goede dienstverlening'. Amsterdam, Amsterdam University Press.Yperen, T.A. van (2005).
Trefzeker tellen. Samenvattende notitie bijeenkomsten VWS over prestatie-indicatoren in de jeugdzorg. Utrecht, Universiteit Utrecht/NIZW Jeugd. 
Wetenschappelijk onderzoek is de bekendste manier om de effectiviteit van interventies te meten. Elders in dit dossier vindt u informatie over de ZonMw-programma's die dat onderzoek stimuleren en financieren.
Samenwerkingsverband Effectieve Jeugdzorg Nederland
Een collectief van organisaties in de jeugdzorg heeft een vorm van effectonderzoek ontwikkeld die aansluit bij het dagelijks werk in de jeugdzorg. Dat onderzoek wordt gestuurd door vragen die belangrijk zijn voor de praktijk van de zorg. Kenmerk van dat praktijkgestuurde effectonderzoek is dat zowel individuele beroepskrachten als beleidsmakers en wetenschappers direct profijt hebben van de verzamelde gegevens.
Het collectief is bekend onder de naam 'Samenwerkingsverband Effectieve Jeugdzorg Nederland' - SEJN, in de wandelgangen 'het Sein' genoemd.
Elders op deze site treft u meer informatie aan over SEJN.
De effectiviteit van het werk in de jeugdsector verbetert niet vanzelf. Die verbetering vereist verdere professionalisering van beroepskachten, verheldering van de methodieken die ze gebruiken, en verdere ontwikkeling, invoering en borging van die methodieken. Daarvoor zijn uiteenlopende acties in gang gezet, zoals het actieprogramma 'Professionalisering in de jeugdzorg', ZonMw-programma's voor onderzoek en implementatie van effectieve programma's, en initiatieven die moeten leiden tot een borging van de kennis in het veld.
Wil de jeugdsector zijn kwaliteit verbeteren, dan moeten de kennis, de rol en de positie van de beroepskracht versterkt worden. Sommige deelsectoren werken daar al aan.
Voor- en vroegschoolse educatie
In de voor- en vroegschoolse educatie (VVE) draagt vooral het project 'VVersterk' bij aan de professionalisering. VVersterk wordt gecoördineerd door onderzoeks- en adviesbureau Sardes en biedt duizenden leidsters in peuterspeelzalen en de kinderopvang de mogelijkheid een introductie- of verdiepingscursus te volgen in VVE. Ook komen er VVE-modules voor studenten van pabo's en regionale opleidingscentra. Meer informatie vindt u op www.vversterk.nl.
Jeugdwelzijnswerk
Gemeenten verwachten in toenemende mate dat kinder- en jongerenwerkers een bijdrage leveren aan het oplossen van ingewikkelde maatschappelijke problemen. Kinder- en jongerenwerkers zelf hebben de ambitie om kinderen en jongeren te begeleiden en te helpen. Het is echter de vraag of de beroepskrachten al voldoende zijn toegerust voor deze opdracht.
Bevordering van de professionalisering van jongerenwerkers
De mate van professionalisering van het jongerenwerk is laag, gemeten op de vijf dimensies van de Amerikaanse socioloog Eliot Freidson: er is nog onvoldoende 'body of knowledge' (geheel van systematisch geordende en samenhangende kennis en methodieken, instrumenten en technieken); nog nog onvoldoende controle van de arbeidsmarkt, de arbeidstaken en de opleiding en training voor jongerenwerkers. Daarnaast is de beroepsideologie nog onvoldoende vastgelegd, bijvoorbeeld in de vorm van een beroepscode.
Wel bestaan er inmiddels diverse projecten die de professionalisering van jongerenwerkers moeten bevorderen. Een voorbeeld daarvan vindt u elders op deze site: het Landelijk Ontwikkelproject Jongerenwerk, uitgevoerd van 2003 tot 2006.
Verder is sinds twee jaar de Beroepsvereniging Jongerenwerk actief (BV Jong); meer informatie daarover vindt u op www.jongerenwerker.nl.
Jeugdgezondheidszorg
In de jeugdgezondheidszorg is hard gewerkt aan de richtlijn- en standaardontwikkeling door en voor beroepskrachten. Dat past in het streven gebruik te maken van wetenschappelijk onderbouwde richtlijnen voor de uitvoering van het uniforme deel van het Basistakenpakket JGZ. De notitie 'Richtlijnen Jeugdgezondheidszorg' van de Richtlijnadviescommissie vormt daartoe de opmaat. Vastgestelde richtlijnen zijn:
De richtlijnen voor de jeugdgezondheidszorg vindt u op de site van het RIVM/Centrum Jeugdgezondheid.
De beroepsverenigingen Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland (AJN) en Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN) hameren voortdurend op het professionaliseringsbeleid voor de jeugdgezondheidszorg. Vanuit de koepels is met steun van ZonMw de laatste jaren het kwaliteitsproject 'Beter voorkomen' uitgevoerd, dat gericht is versterking van de 'evidence based' kwaliteit van de jeugdgezondheidszorg.
Jeugdzorg
In de jeugdzorg is een uitgebreid actieprogramma opgezet voor de verdere professionalisering van beroepskrachten. Het actieprogramma werkt onder meer aan de versterking van de beroepsverenigingen, de verbetering van de mogelijkheden voor scholing en bijscholing, en de invoering van tuchtrecht. Meer informatie vindt u op deze site in het dossier Professionalisering in de jeugdzorg.
Interventies worden gekenmerkt door een methodiek: een werkwijze volgens een bepaald systeem, die daardoor inzichtelijk en overdraagbaar is. Naast de methodiek zijn ook het doel, de doelgroep en de inbedding in het stelsel van interventies kenmerkend.
Niet elke interventie is gebaseerd op een methodiek. Soms bestaat een interventie uit een werkwijze die weinig systematisch is. Maar om het predicaat 'in theorie effectief' te krijgen, moet een interventie in ieder geval beschikken over een goed beschreven methodiek. In dat geval is er dus een grote overlap tussen de begrippen 'methodiek' en 'interventie'.
Doel van de methodiek
In de eerste plaats moet helder zijn wat de methodiek beoogt. Bijvoorbeeld: de methodiek heeft als doel het verminderen van de taalachterstand van allochtone leerlingen in het basisonderwijs en de gevolgen daarvan, zoals zittenblijven en lage Cito-scores.
Afbakening doelgroep en domein
Daarnaast moet in de methodiek aangegeven zijn voor welk risico of probleem en voor welke doelgroep zij bestemd is. Daarbij is het gebruikelijk de indicaties voor toepassing te vermelden: de aanwijzingen dat de interventie passend is voor deze doelgroep, in deze situatie of over op dit tijdstip. Bijvoorbeeld: de methodiek is bestemd voor allochtone kinderen met een taalachterstand aan het begin van de basisschool.
Ook kunnen er contra-indicaties worden geformuleerd, die aangeven wanneer de aanpak niet geschikt is. Bijvoorbeeld: de methodiek is niet bestemd voor kinderen met een verstandelijke handicap, een gehoorstoornis of een aan autisme verwante stoornis.
Minder gebruikelijk - maar wel van belang - is om bij de afbakening aan te geven welke omvang de doelgroep ongeveer heeft, hoe groot de vraag naar de methodiek waarschijnlijk is en hoe de methodiek de doelgroep kan bereiken.
Werkwijze
Een methodiek bevat verder een beschrijving van de werkwijze. Daarmee wordt duidelijk welke acties ondernomen moeten worden om het doel te bereiken. Vaak staat in die beschrijving een overzicht van de in te zetten 'middelen', zoals leerkrachten, ouders en speciaal leesmateriaal. Ook bevat de beschrijving meestal een stappenplan dat vertelt in welke volgorde en met welke frequentie, duur en intensiteit de activiteiten plaatsvinden. Gewoonlijk gaat bij methodiekontwikkeling de meeste aandacht uit naar de beschrijving van de middelen en het stappenplan.
Onderbouwing
De methodiek is meer dan alleen een spoorboekje. Zij maakt ook duidelijk waarom gekozen is voor de beschreven activiteiten om het doel te bereiken. Drie soorten argumenten spelen daarbij een rol:
Positie ten opzichte van andere methodieken
Er bestaan veel ondersteunings- en behandelvormen voor kinderen, jongeren en hun opvoeders. Daarom is het goed om bij een methodiek aan te geven wat zij gemeenschappelijk heeft met andere, bekende werkwijzen. Dat verhoogt de herkenbaarheid en maakt duidelijk welke theoretische, empirische of economische argumenten de methodiek deelt met andere ondersteunings- en behandelvormen. Tegelijk moet aannemelijk zijn waarom de methodiek bestaansrecht heeft naast andere werkwijzen. Wat voor nieuws of aparts biedt deze aanpak?
Een goede onderbouwing onderscheidt het handelen van de professional van dat van de leek. In de praktijk worden veel interventies echter uitgevoerd zonder goede onderbouwing. Methodiekontwikkeling moet ertoe bijdragen dat dat verbetert.
Ondersteuning
Het Samenwerkingsverband Effectieve Jeugdzorg Nederland (SEJN) biedt ondersteuningspakketten om de beschrijving en onderbouwing van interventies op orde te brengen. Elders op deze site vindt u meer informatie over deze ondersteuningspakketten.
Bronnen en meer informatie
Berkens, W. (1997). 'Praktijkgericht onderzoek en methodiekontwikkeling'. Houten, Bohn Stafleu Van Loghum.
Kamp, M. van der (1993). 'Methodiekontwikkeling: concepten en trajecten'. Utrecht, SWP.
Lieshout, P. van (1992). 'Metamethodiek: de methodiek van methodiekontwikkeling', in: 'Sociale Interventie', jaargang1, nummer3, p.159-166.
Ploeg, J.D. van der (1996). 'Methodiekontwikkeling in beeld'. Utrecht, SWP.
Ploeg, J.D. van der (2003). 'Methodiekontwikkeling', in: Ploeg, J.D. van der. 'Knelpunten in de jeugdzorg. Onderbelichte onderwerpen. Rotterdam, Lemniscaat, p.174-191.
Spierings, W. (1999). 'Niet de aankomst, maar de reis. Methodiekontwikkeling en implementatie als onderdeel van kwaliteitszorg', in: Jumelet, H. en Teunis, C. (red.). 'Kwaliteit in uitvoering'. Utrecht, SWP, p. 85-99.
Yperen, T.A. (2003). 'Gaandeweg. Werken aan de effectiviteit van de jeugdzorg'
. Utrecht, NIZW.
Yperen, T.A. van & Veerman, J.W. (red., 2008). 'Zicht op effectiviteit. Handboek voor praktijkgestuurd effectonderzoek onderzoek in de jeugdzorg'. Delft, Eburon.
Het ontwikkelen van een werkwijze, de afbakening van doel en doelgroep en het onderzoek naar effecten en bruikbaarheid wordt vaak aangeduid met de verzamelnaam 'methodiekontwikkeling'.
Er bestaan twee manieren van methodiekontwikkeling: startend vanuit een theorie en startend vanuit de praktijk. Doorgaans wordt een interventie echter onderbouwd door een combinatie van theorie en praktijkervaring.
Vanuit de theorie
De methodiekontwikkeling 'evidence-based practice' gaat uit van een theorie, bijvoorbeeld de sociaal-lerentheorie, waaruit een handelswijze wordt afgeleid. Interventies kunnen op basis daarvan in wetenschappelijke centra of in kleine proefprojecten in de praktijk worden ontwikkeld, op effectiviteit worden onderzocht en vervolgens - bij gebleken kwaliteit - breder worden ingevoerd. De interventie geldt dan als 'bewezen effectief'.
Vanuit de praktijk
Bij de methodiekontwikkeling 'practice-based evidence' worden in de praktijk gegroeide en soms op brede schaal toegepaste werkwijzen verder uitgewerkt en onderzocht op effectiviteit. Zo worden 'practice based' - in de praktijk gewortelde - interventies stapsgewijs verder ontwikkeld, van een niveau dat nog niet voldoet aan allerlei basisvereisten, via een 'veelbelovend' niveau, naar de status van 'bewezen effectieve' interventies.
Wisselwerking
De twee routes van 'evidence-based practice' en 'practice-based evidence' sluiten elkaar niet uit. In de praktijk gewortelde interventies kunnen zo ver ontwikkeld zijn dat ze een bewezen effectief karakter krijgen en als zodanig verder worden verspreid. Ervaringen met bewezen effectieve programma's kunnen leiden tot aanscherpingen van die programma's in de praktijk, die de effectiviteit verder ten goede kunnen komen. Als die verbeterde effectiviteit door nieuw onderzoek wordt bevestigd, is er feitelijk opnieuw sprake van een bewezen effectief programma. De onderstaande figuur geeft dat proces weer.

Voor de jeugdzorg is zowel de invoering van bewezen effectieve interventies belangrijk als de onderbouwing en empirische toetsing van in de praktijk gewortelde programma's. Naast de methodiekontwikkeling staan daarbij twee andere onderwerpen op de agenda:
Kwaliteitssystemen
Bij methodiekontwikkeling telt ten slotte hoe ervoor gezorgd wordt dat beroepskrachten de methodiek goed toepassen. Is er bijvoorbeeld een training? Wie mag die training geven? Wanneer heeft iemand de training met succes gevolgd? Hoe wordt er daarna voor gezorgd dat de professional zijn werk goed blijft doen? Zijn er bijvoorbeeld visitaties of terugkomdagen? Registreert de hulpverlener bij wie de aanpak wordt toegepast en met welk resultaat?
Bronnen en meer informatie
Berkens, W. (1997). 'Praktijkgericht onderzoek en methodiekontwikkeling'. Houten, Bohn Stafleu Van Loghum.
Kamp, M. van der (1993). 'Methodiekontwikkeling: concepten en trajecten'. Utrecht, SWP.
Lieshout, P. van (1992). 'Metamethodiek: de methodiek van methodiekontwikkeling', in: 'Sociale Interventie', jaargang 1, nummer 3, p.159-166.
Ploeg, J.D. van der (1996). 'Methodiekontwikkeling in beeld'. Utrecht, SWP.
Ploeg, J.D. van der (2003). 'Methodiekontwikkeling', in: Ploeg, J.D. van der. 'Knelpunten in de jeugdzorg. Onderbelichte onderwerpen'. Rotterdam, Lemniscaat, p.174-191.
Spierings, W. (1999). 'Niet de aankomst, maar de reis. Methodiekontwikkeling en implementatie als onderdeel van kwaliteitszorg', in: Jumelet, H. en Teunis, C. (red.). 'Kwaliteit in uitvoering'. Utrecht, SWP, p 85-99.
Yperen, T.A. (2003). 'Gaandeweg. Werken aan de effectiviteit van de jeugdzorg'
. Utrecht, NIZW.
Yperen, T.A. van & Veerman, J.W. (2008, red.). 'Zicht op effectiviteit. Handboek voor praktijkgestuurd effectonderzoek onderzoek in de jeugdzorg'. Delft, Eburon.
In de internationale literatuur breekt steeds meer het inzicht door dat de implementatie - de overdracht en invoering - van effectieve interventies specifieke aandacht vereist. Het is voor beroepskrachten moeilijk om 'evidence based' te werken. Dat komt door de wijze waarop veel interventies ontwikkeld worden. Protocollen en richtlijnen worden vaak in kleine kring opgesteld. Als de effectiviteit door wetenschappelijk onderzoek is vastgesteld, kan de interventie breed worden ingevoerd. Maar dat is nog niet zo simpel. Verschillende factoren spelen daarbij een rol.
Gebruik van verschillende strategieën
Het is belangrijk om beroepskrachten te betrekken bij de ontwikkeling van effectieve interventies. Daarnaast is het goed om uiteenlopende 'implementatiestrategieën' te hanteren. Een betere verspreiding van kennis over effectieve interventies is noodzakelijk maar beslist niet voldoende. Wat dat betreft kan de jeugdzorg leren van de gezondheidszorg, waar veel onderzoek is gedaan naar succesvolle strategieën. Daaruit blijkt dat het, in combinatie met kennisoverdracht, goed is om:
Interventies moeten uitvoerbaar zijn
Het heeft weinig zin een effectieve interventie te ontwikkelen die zo omslachtig of duur is dat ze weinig kans maakt om in de praktijk overgenomen te worden. Daarom moet duidelijk zijn welke voorwaarden gelden voor de uitvoering van een interventie en welke kosten ermee gemoeid zijn. In de databank Effectieve Jeugdinterventies wordt per interventie nagegaan wat hierover bekend is. Maar in de praktijk ontbreekt die informatie vaak.
Bedreigingen van de uitvoering
Een ingevoerde interventie overleeft de tijd meestal niet ongeschonden. Twee mechanismen tasten de uitvoering voortdurend aan:
De noodzaak van een kwaliteitssysteem
Een interventie heeft een kwaliteitssysteem nodig dat ervoor zorgt dat de activiteiten naar behoren worden uitgevoerd. Vaak bestaat dat systeem uit het afgeven van licenties aan instellingen. Zo'n licentie bewaakt zowel de training van de uitvoerders als de registratiesystemen van de doelen, de doelgroep, de uitgevoerde activiteiten en de resultaten.
Het belang van een goede invoering
In effectonderzoek is het belangrijk na te gaan of de onderzochte interventie op de juiste manier is ingevoerd en volgens de bedoelingen is uitgevoerd - de zogenaamde implementatiegetrouwheid. Wordt de implementatiegetrouwheid niet vastgesteld, dan is het onduidelijk of effecten toegeschreven kunnen worden aan de oorspronkelijk ontworpen aanpak. Als bijvoorbeeld de resultaten van een taalstimuleringsprogramma tegenvallen, moet duidelijk zijn of het programma wel volgens de regels is uitgevoerd. Is de uitvoering niet goed, dan kan het voorbarig zijn om de interventie als 'niet effectief' terzijde te schuiven. Ondanks het belang ervan, wordt in effectonderzoeken de implementatiegetrouwheid nog weinig gemeten.
Infrastructuur
De implementatie en borging van goede interventies vereist dat er een 'eigenaar' is die zich verantwoordelijk stelt voor de juiste implementatie, de noodzakelijke ondersteuning, de kwaliteitscontrole, het stimuleren van onderzoek en het doorvoeren van noodzakelijke aanpassingen. In het stelsel van jeugdvoorzieningen is die infrastructuur nog niet in orde. Meer informatie over dat onderwerp is te vinden in het rapport Ontwikkeling en borging jeugdinterventies
. Momenteel wordt er gewerkt aan de infrastructuur. Te zijner tijd biedt deze website daarover meer informatie.
Bronnen en meer informatie
Fleuren, M.A.H. & Jong, O.R.W. de (2006). 'Basisvoorwaarden voor implementatie en borging van de standaarden Jeugdgezondheidszorg'. Leiden, TNO.
Grol, R., & Wensing, M. (2006). 'Implementatie. Effectieve verbetering in de patiëntenzorg'. Maarssen, Elsevier gezondheidszorg.
Mowbray, C.T., Holter, M.C., Teague, G.B. & Bybee, D. (2003). 'Fidelity criteria: development, measurement, and validation', in: American Journal of Evaluation, 24, p.315-340.
Patton, M.Q. (1997). 'Utilization Focused Evaluation', in: 'The New Century Text', 3e editie. Thousand Oaks, Sage.
Rogers, E.M. (1995). 'Diffusion of innovations', 4e editie. New York, The Free Press.
Spierings, W. (1999). 'Niet de aankomst, maar de reis. Methodiekontwikkeling en implementatie als onderdeel van kwaliteitszorg', in: Jumelet, H. & Teunis, C. (red.). 'Kwaliteit in uitvoering', p.85-99. Utrecht, SWP.
Splunteren, P. van, Everdingen, J. van , Janssen, S., Minkman, M., Rouppe van der Voort, M., Schouten, L. & Verhoeven, M. (red., 2003). 'Doorbreken met resultaten. Verbetering van de patiëntenzorg met de Doorbraakmethode'. Assen, Van Gorcum.
Stals, K. , Yperen, T. van, Reith, W. & Stams, G. (2008). 'Effectieve en duurzame implementatie in de jeugdzorg. Een literatuurrapportage over belemmerende en bevorderende factoren op implementatie van interventies in de jeugdzorg.'
Utrecht: Universiteit Utrecht.
Wensing, M. e.a. (2000), 'Praktisch nieuw: implementatie van vernieuwingen in de gezondheidszorg'. Assen, Van Gorcum.
Yperen, T.A. van (2003), 'Gaandeweg. Werken aan de effectiviteit van de jeugdzorg'
. Utrecht, NIZW.
Yperen, T.A. van & Bakker, K. (2008). 'Ontwikkeling en borging jeugdinterventies'
. Utrecht, Nederlands Jeugdinstituut.
De Nederlandse organisatie voor gezondheidsonderzoek en zorginnovatie, ZonMw, werkt aan de verbetering van preventie, zorg en gezondheid door het stimuleren en financieren van onderzoek, ontwikkeling en implementatie. ZonMw heeft verschillende programma's voor het stimuleren van onderzoek naar de effectiviteit van interventies voor kinderen, jongeren en hun opvoeders.
De website van ZonMw biedt een overzicht van alle onderzoeks- en implementatieprogramma's van ZonMw op het gebied van jeugd, ingedeeld naar vier gebieden:
Daarnaast vindt u op de ZonMw-website nog thema's die niet specifiek betrekking hebben op jeugd, maar toch voor de jeugdsector van belang zijn:
De kennis over effectieve interventies neemt snel toe. Er bestaan verschillende manieren om toegang te krijgen tot deze kennis. In databanken vindt u de interventies die onderzocht zijn op effectiviteit. In 'erkenningstrajecten' beoordelen onafhankelijke commissies welke interventies - gezien het onderzoek - effectief genoemd kunnen worden. Overzichtsstudies concentreren zich vaak op de vraag welke interventies er zijn voor welke doelgroep of werksoort en wat hun effectiviteit is. Uit deze studies worden de werkzame principes van effectieve interventies gedestilleerd. Tot slot zijn er richtlijnen waarin de afspraken staan over hoe een professional het beste te werk kan gaan.
In de jeugdsector worden interventies tegenwoordig door onafhankelijke commissies op effectiviteit beoordeeld. Deze ontwikkeling hangt samen met het toenemend streven naar meer 'bewezen effectief' werken.
Doelen van toetsing
Toetsing leidt ertoe dat het kaf van het koren wordt gescheiden. Interventies die slecht zijn onderbouwd, of volgens onderzoek zelfs averechts kunnen uitpakken, worden niet meer gebruikt. In plaats daarvan worden interventies gebruikt die goed zijn onderbouwd en waarvan eventueel onderzoek laat zien dat er goede resultaten mee worden geboekt.
Daarnaast stimuleert toetsing een goede onderbouwing van interventies én onderzoek naar de effectiviteit. Toetsing zorgt voor een soort 'opwaartse druk' in de jeugdsector: om te voorkomen dat een interventie wordt afgekeurd wordt er meer geïnvesteerd in theorievorming en onderzoek. Dat komt uiteindelijk de kwaliteitsontwikkeling in de hele sector ten goede.
Erkenningscommissies
Voor de beoordeling van de effectiviteit van interventies in de jeugdsector bestaan er op dit moment twee onafhankelijke commissies:
Yperen, T.A. van (2007), 'Integraal erkend. Naar een afstemming erkenning jeugdinterventies'. Utrecht: Nederlands Jeugdinstituut.
Yperen, Y. van & Bommel, M. van (2009). 'Erkenning interventies: criteria 2009 - 2010. Erkenningscommissie (Jeugd)Interventies'. Utrecht / Bilthoven: Nederlands Jeugdinstituut / RIVM.
Interventies die mogelijk in aanmerking komen voor de databank Effectieve Jeugdinterventies worden sinds juni 2007 beoordeeld door de onafhankelijke Erkenningscommissie Interventies. Deze commissie was voorheen de Erkenningscommissie Jeugdinterventies en heeft sinds 15 juli 2009 een nieuwe naam. Lees hiervoor het nieuwsbericht.
De commissie is landelijk en onafhankelijk, dus niet gebonden aan provincies, gemeentes of instellingen, of aan specifieke interventies. De commissie wordt ondersteund vanuit het Nederlands Jeugdinstituut, het RIVM Centrum Gezond Leven en RIVM Centrum Jeugdgezondheid (deelcommissie 2 en 4). De Erkenningscommissie Interventies is in de plaats gekomen van de panels die tot juni 2007 interventies beoordeelden voor de databank.
Op grond van de beoordeling kan de commissie aan interventies een erkenning geven als ‘theoretisch goed onderbouwd’, 'waarschijnlijk effectief' of ‘bewezen effectief’. Dit gebeurt aan de hand van weloverwogen beoordelingscriteria en volgens een vaste erkenningsprocedure. De commissie geeft ook advies voor de verdere ontwikkeling en evaluatie van beoordeelde interventies. Alle oordelen van de erkenningscommissie zijn openbaar en worden gepubliceerd op internet bij de databank Effectieve Jeugdinterventies.
De Erkenningscommissie Interventies bestaat uit vier deelcommissies die elk een eigen terrein bestrijken:
Elke deelcommissie is samengesteld uit experts uit wetenschap en praktijk. Wanneer een interventie niet uitsluitend binnen het terrein van een deelcommissie past, kunnen de leden van de afzonderlijke commissies samen werken aan een beoordeling. Als dat wenselijk is, kan de Erkenningscommissie Interventies op termijn worden uitgebreid met andere deelcommissies met een specifieke expertise. De deelcommissies voor jeugdinterventies zijn voorjaar 2007 samengesteld. De zittingstermijn van de leden is voorlopig op vier jaar gesteld.
Met vragen over de beoordelingsprocedure en het indienen van interventies ter beoordeling kunt u contact opnemen met de algemeen secretaris van de erkenningscommissie, Nienke Holter, telefoon (030) 230 65 74, e-mail .
De Erkenningscommissie Interventies kan erkenningen afgeven op drie niveaus: I, II, en III. De commissie beoordeelt interventies aan de hand van vaste criteria. Deze zijn ontleend aan uiteenlopende beoordelingssystemen en worden regelmatig geëvalueerd. Om erkend te worden als 'theoretisch goed onderbouwd' moet een interventie voldoen aan criteria voor theoretische onderbouwing, degelijkheid van de methodiek, en toepasbaarheid in de praktijk. Een interventie die hieraan voldoet en die bovendien beantwoordt aan de criteria voor onderzoek, mag zich 'waarschijnlijk effectief' of 'bewezen effectief' noemen. De criteria worden hieronder alleen maar aangeduid. Een volledig overzicht is opgenomen in Erkenning interventies: criteria 2009-2010. Erkenningscommissie (Jeugd)Interventies
.
Niveau I: theoretisch goed onderbouwd
Criteria voor onderbouwing
Criteria voor degelijkheid van de methodiek
Criteria voor toepasbaarheid in de praktijk
Niveau II: waarschijnlijk effectief
Niveau III: bewezen effectief
Meer informatie over de totstandkoming van de criteria is te vinden in de notitie Integraal erkend
.
Voordat een interventie kan worden beoordeeld door de Erkenningscommissie Interventies moet aan de volgende voorwaarden voldaan zijn. De interventie:
Voorlopig oordeel
Als de indiener van de interventie en het betrokken kennisinstituut (Nederlands Jeugdinstituut of RIVM) het eens zijn over de tekst van de beschrijving, dan geeft het kennisinstituut een voorlopig oordeel. Het instituut doet dit door in het Werkblad voor elk van de criteria aan te geven of daar aan voldaan is. Dit voorlopig oordeel is een advies aan de Erkenningscommissie Interventies.
Indienen
Aanvragen van een beoordeling door de erkenningscommissie is de verantwoordelijkheid van de ontwikkelaar of uitvoerder van de interventie. Daartoe dient de indiener een aanvraagformulier in te vullen waarin hij tevens toestemming geeft aan het Nederlands Jeugdinstituut of het RIVM om de beschrijving, samen met de benodigde documentatie, en het voorlopig oordeel naar de deelcommissie te sturen. Die documentatie bestaat uit de literatuur waarop de beschrijving gebaseerd is, zoals (een deel van) de handleiding met een omschrijving van doel, doelgroep en werkwijze, én de wetenschappelijke onderbouwing of verantwoording van de werkwijze. Ook eventuele literatuur over effectonderzoek dat in Nederland is uitgevoerd, hoort daarbij. De ontwikkelaar van de interventie levert in principe zelf alle documentatie in viervoud aan, via de beschrijver of de redacteur van de beschrijving. Indien nodig kan materiaal door het Nederlands Jeugdinstituut of het RIVM gekopieerd worden. Dit gebeurt in overleg tussen de ontwikkelaar en de schrijver/redacteur. Voor het aanvragen van een beoordeling dient de indiener gebruik te maken van het volgende document:
Aanvraagformulier beoordeling
.
Beoordelen
Eerst bekijkt de deelcommissie of de ingediende interventie als 'theoretisch goed onderbouwd' kan worden aangemerkt. Dat wil zeggen: is de interventie voldoende wetenschappelijk onderbouwd om aannemelijk te maken dat deze effectief kan zijn. Daarna oordeelt de deelcommissie of de interventie op grond van Nederlands onderzoek het predikaat 'waarschijnlijk effectief'of 'bewezen effectief' verdient. Zie hiervoor de criteria.
De beoordeling in de deelcommissie wordt voorbereid door vier van de leden van de deelcommissie. Zij bestuderen de beschrijving en de documentatie en zij stellen vast of zij het eens zijn met het voorlopig oordeel. Een kort schriftelijk verslag met toelichting gaat naar de andere leden en in een plenaire vergadering loopt de deelcommissie dan het voorlopig oordeel per criterium en als geheel na. Zo nodig volgt een consensusbespreking. Het eindoordeel van de deelcommissie is altijd unaniem.
Bericht en publicatie van het oordeel
De deelcommissie rapporteert het oordeel, eventueel voorzien van toelichting, op een speciaal formulier, ondertekend door de voorzitter. De secretaris van de deelcommissie stuurt dit formulier naar de indiener. Het kan voorkomen dat de commissie ook zelf contact opneemt met de indiener, om een extra toelichting of advies te geven. Voor de publicatie van het oordeel neemt de contactpersoon van de databank contact op met de ontwikkelaar.
Een interventie die door de Erkenningscommissie Interventies is beoordeeld, komt altijd mét het oordeel op de website van het Nederlands Jeugdinstituut te staan onder het thema 'Effectieve interventies'. Als de commissie de interventie heeft erkend als 'theoretisch goed onderbouwd', 'waarschijnlijk effectief' of 'bewezen effectief', dan wordt deze opgenomen in de Databank Effectieve Jeugdinterventies, samen met de uitgebreide beschrijving. Is de interventie niet erkend door de commissie, dan komt deze niet in de databank maar in de rubriek 'Niet opgenomen'.
Periodieke herbeoordeling
De meeste jeugdinterventies zijn (nog) volop in ontwikkeling. En vaak wordt aan (nieuw) onderzoek naar de effectiviteit gewerkt. Een interventie is dus niet statisch, net zo min als gegevens over de effectiviteit ervan. Ook voor interventies die al geruime tijd ‘klaar’ en al degelijk onderzocht zijn, is het van belang om aan de kwaliteit te blijven werken. Daarom worden eenmaal beoordeelde interventies na verloop van tijd opnieuw beoordeeld. Niet erkende interventies kunnen na minimaal twee jaar opnieuw ingediend worden, op initiatief van de ontwikkelaars. Erkende interventies worden na vijf jaar opnieuw beoordeeld. Het secretariaat van de Erkenningscommissie Interventies neemt hiervoor contact op met de indieners van de voorgaande keer.
Meer informatie
Meer informatie over het erkenningstraject staat in Erkenningscommissie Interventies. Werkwijze en procedure
.
Jeugdzorg en psychosociale/pedagogische preventie
Voorzitter: prof. dr. Jan Janssens (Radboud Universiteit Nijmegen)
Contactpersoon: drs. Nienke Holter (Nederlands Jeugdinstituut)
Wetenschap
prof. dr. Daan Brugman (Universiteit Utrecht)
prof. dr. Maja Deković (Universiteit Utrecht)
dr. Frits Goossens (Vrije Universiteit)
prof. dr. Evert Scholte (Universiteit Leiden)
prof.dr. Carlo Schuengel (Vrije Universiteit)
Beleid en praktijk
drs. Marjan Koopman (Spirit)
dr. Xavier Moonen (Koraal Groep)
drs. Heidi Offerman (Altra)
drs. Nelleke Polderman (Basic Trust)
drs. Wil Joosten (Oosterpoort)
Jeugdgezondheidszorg, preventie en gezondheidsbevordering
Voorzitter: prof. dr. Gerjo Kok (Universiteit Maastricht)
Contactpersonen: Sandra van Dijk, MSc (RIVM, Centrum Gezond Leven)
drs. Joke van Wieringen (RIVM, Centrum Jeugdgezondheid)
Wetenschap
dr. Pepijn van Empelen (Universiteit Leiden)
prof. dr. Remi Hira Sing (Vrije Universiteit-MC/TNO)
prof. dr. Jantine Schuit (VU/RIVM)
prof.dr. Pauline Verloove-Vanhorick (emerita)
dr. Ton Vogels (TNO)
Beleid en praktijk
drs. Hans Keizer (Tactus Deventer)
mw. Nelleke Maas (Thebe Thuiszorg)
dr. Simone Onrust (Trimbos-instituut)
dr. Miranda Pronk (Consument en Veiligheid)
drs. Ingrid Staal (GGD Zeeland)
Ontwikkelingsstimulering, onderwijsgerelateerd en jeugdwelzijn
Voorzitter: prof. dr. Paul Leseman (Universiteit Utrecht)
Contactpersoon: drs. Nienke Holter (Nederlands Jeugdinstituut)
Wetenschap
prof. dr. Jeanet Bus (Universiteit Leiden)
dr. Renée de Kruif (Universiteit van Amsterdam)
dr. Jeanne Kurvers (Universiteit van Tilburg)
dr. Hans van Luit (Universiteit Utrecht)
Beleid en Praktijk
drs. Toos van den Berg (Stichting Wel.kom)
drs. Tine Doets (Gemeente Schiedam
drs. Rineke Oomen (JSO)
dr. Berend Schonewille (Sardes)
Gezondheidsbevordering en preventie voor volwassenen en ouderen
Voorzitter: prof.dr.ir. Johannes Brug (EMGO/VUmc)
Contactpersonen: dr. Djoeke van Dale (RIVM, Centrum Gezond Leven)
dr. Loes Lanting (RIVM, Centrum Gezond Leven)
Wetenschap
dr. Stef Kremers (Universiteit Maastricht)
dr. Filip Smit (Trimbos-instituut/Vrije Universiteit)
ir. dr. Lenneke Vaandrager (Universiteit Wageningen)
dr. Cindy Veenhof (NIVEL)
Beleid en Praktijk
dr. Martijntje Bakker (GGD Den Haag)
drs. Jan Bouwens (ZonMW)
ir. Wim van Dalen (STAP)
drs. Willemien Willems (Parnassia BAVO groep)
dr. Marc Willemsen) (STIVORO)
De Erkenningscommissie Gedragsinterventies Justitie beoordeelt of gedragsinterventies kunnen leiden tot preventie of vermindering van recidive bij delinquente jongeren. De commissie heeft drie taken: het beoordelen van gedragsinterventies, het adviseren over de effectiviteit van gedragsinterventies aan de minister van Justitie en het verspreiden van informatie over haar bevindingen.
De jeugdinterventies die deze commissie erkent, worden ook opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut. Deze hoeven daarvoor niet beoordeeld te worden door de Erkenningscommissie (Jeugd)Interventies. Het is echter wel mogelijk een interventie door beide commissies te laten toetsen.
Meer informatie vindt u op de website van de rijksoverheid.
Welke interventie kan ik het beste toepassen bij een kind met gedragsproblemen? Wat is er bekend over het effect van trainingen in opvoedingsvaardigheden voor ouders? Wat is er bekend over de kwaliteit en effectiviteit van residentiële zorg of daghulp voor kinderen en jongeren?
Overzichten van werkzame principes van de volgende soorten interventies:
Een oudertraining is, met name bij ouders van kinderen in de basisschoolleeftijd, een effectieve manier om gedragproblemen bij kinderen te verminderen. Een effectieve oudertraining bestaat uit kennisoverdracht, het aanleren van vaardigheden en technieken en het opstellen van een plan om de geleerde vaardigheden en technieken ook thuis toe te passen. Gezinnen met een lage sociaal-economische status profiteren minder van een oudertraining: een individuele training biedt hier uitkomst.
Wat weten we over de werkzaamheid van oudertrainingen?
Er zijn aspecten die nog onvoldoende onderzocht zijn. Zo richt het meeste onderzoek zich op jongens en is er te weinig bekend over de invloed van de ernst van de gedragsproblemen of de etniciteit van het kind. Verder is meer onderzoek nodig naar de kenmerken van de oudertraining, zoals de benodigde hoeveelheid sessies, in welke gevallen groepstraining of juist individuele oudertraining nodig is, en of een oudertraining aangeboden binnen een klinische setting, dezelfde resultaten behaald als bijvoorbeeld op school.
Meer informatie over werkzame principes bij oudertrainingen vindt u in:
Wat werkt bij oudertrainingen? 
Onder creatieve therapie vallen therapievormen die gebruik maken van muziek, dans, beweging, drama en beeldend materiaal. Deze therapievormen kunnen worden ingezet voor allerlei problemen bij jeugdigen. Creatieve therapeuten streven doelen na zoals het terugdringen van problemen en stoornissen, het op gang brengen van een gestagneerde ontwikkeling en het verwerken of leren omgaan met problemen.
Ook al worden deze therapieën veel gebruikt, toch is er nog maar weinig kwalitatief goed onderzoek naar de effectiviteit gedaan. De resultaten van muziektherapie zijn het beste onderzocht. Voorzichtige eerste conclusies zijn dat muziektherapie bij kinderen met autisme helpt communicatieproblemen te verminderen en sociaal gedrag te stimuleren.
Ook met dramatherapie zijn positieve resultaten behaald, vooral op het gebied van internaliserende problemen, zoals teruggetrokken, angstig en depressief gedrag. Naar dans- en bewegingstherapie is nog te weinig onderzoek bij jeugdigen gedaan om al een oordeel te kunnen vormen. Beeldende therapie is nog helemaal niet kwalitatief goed onderzocht.
Meer informatie over de werkzame principes van creatieve therapie vindt u in:
Creatieve therapie 
Hoe krijg je als hulpverlener je cliënten zo ver dat ze de problemen die ze ervaren, gaan aanpakken? Motiverende gespreksvoering is een techniek waarmee hulpverleners hun cliënten kunnen helpen om hun gedrag te veranderen. Het uitgangspunt daarbij is dat de twijfels die een cliënt heeft over veranderingen juist mogelijkheden bieden om hem in beweging te krijgen. Motivatie voor verandering is geen vaststaand gegeven, maar het resultaat van wat er tussen de hulpverlener en de cliënt gebeurt. De hulpverlener heeft daar invloed op.
In de verslavingszorg wordt motiverende gespreksvoering veel gebruikt en is er ook veel onderzoek naar gedaan. De resultaten zijn hier positief. Cliënten komen de afspraken vaker na, nemen meer deel aan het gesprek en hebben na afloop van de behandeling ook betere resultaten bereikt. Deze resultaten zijn ook nog lang na afloop van de behandeling zichtbaar. Motiverende gespreksvoering duurt vaak korter dan andere effectieve behandelmethoden, terwijl er dezelfde resultaten mee worden behaald.
Ook bij andere problemen, zoals eetstoornissen en dubbeldiagnose, lijkt motiverende gespreksvoering te werken. Over motiverende gespreksvoering bij de hulpverlening aan gezinnen is nog niet veel bekend. De resultaten van onderzoek naar een kortdurende interventie om ouders te motiveren tot het zoeken van hulp in verband met gedragsproblemen van hun kind zijn positief. Ouders blijken meer geneigd hulp te zoeken wanneer hulpverleners motiverende gesprekstechnieken gebruiken.
De belangrijkste reden voor de positieve resultaten lijkt te zijn dat cliënten vaker afspraken nakomen en actiever deelnemen aan de behandeling, kortom dat hun therapietrouw toeneemt. In veel gevallen gebruiken hulpverleners motiverende gespreksvoering niet als een op zich staande techniek, maar voegen ze het toe aan de gebruikelijke behandeling of gebruiken het als voorbereiding hierop. Ook dit blijkt effectief te zijn.
Kortom, waar hulpverleners met een negatieve of confronterende methode geen of zelfs averechts resultaat behalen, blijkt een begripvolle en ondersteunende hulpverlener betere resultaten te boeken bij zijn cliënten. Zonder dat het veel extra tijd en moeite in de behandeling kost, kan een hulpverlener motiverende gespreksvoering toepassen. Zelfs een kleine ‘dosis’ motiverende gespreksvoering blijkt al positieve effecten te hebben.
Meer informatie over de werkzame principes van motiverende gespeksvoering vindt u in:
Motiverende gespreksvoering 
Oplossingsgerichte therapie is een vorm van hulpverlening die gericht is op het benutten van de sterke kanten en hulpbronnen van de cliënt. Samen met de hulpverlener onderzoekt de cliënt welke vaardigheden hij al in huis heeft om zijn problemen aan te pakken. Oplossingsgerichte therapie is kortdurend en resultaatgericht. Zowel hulpverleners als cliënten vinden oplossingsgerichte therapie een aantrekkelijke manier van werken, omdat ze samen de problemen op een hele concrete manier kunnen aanpakken en positieve veranderingen in korte tijd zichtbaar worden.
Naar oplossingsgerichte therapie is nog maar weinig goed onderzoek gedaan. Zeker naar de toepassing bij kinderen, jongeren en hun ouders. Toch valt er voorlopig een aantal – voorzichtige – conclusies te trekken:
Het is nog onduidelijk hoe oplossingsgerichte therapie precies werkt, oftewel wat de werkzame factoren zijn van oplossingsgerichte therapie. Hier moet meer onderzoek naar verricht worden.
Meer informatie over de werkzame principes van oplossingsgerichte therapie vindt u in:
Oplossingsgerichte therapie 
Speltherapie is een behandelvorm voor kinderen met sociale en emotionele problemen of traumatische ervaringen. Tijdens deze behandeling beïnvloedt een speltherapeut systematisch en doelgericht het spel van kinderen om problemen te verhelpen of te verminderen die de ontwikkeling van het kind belemmeren. Speltherapie wordt vooral toegepast bij kinderen van vier tot twaalf jaar. Bij jongeren wordt vaker een vorm van creatieve therapie ingezet.
Speltherapie wordt in Nederland ook aangeboden onder de naam ‘Beeldcommunicatie’. Een andere vorm van speltherapie is de ‘Parent-Child Interaction Therapy’ (PCIT). Bij PCIT traint een hulpverlener de ouders in speltherapeutische technieken om de interactie tussen ouders en kind te verbeteren.
Speltherapie lijkt effectief te zijn bij een groot aantal uiteenlopende problemen met emoties en gedrag. Ook lijkt deze therapie een positief effect te hebben op sociale en cognitieve vaardigheden van kinderen en op gezinsrelaties en gezinsfunctioneren.
Voor een effectieve speltherapeutische behandeling is het belangrijk dat ouders er actief bij betrokken zijn. Hun betrokkenheid blijkt de uitkomsten te verbeteren.
Op het onderzoek naar speltherapie is veel kritiek. De methodologische kwaliteit ervan is vaak matig. Onderzoekers werken met kleine onderzoeksgroepen, stellen geen controlegroep in of gebruiken geen gestandaardiseerde meetinstrumenten. Met conclusies uit onderzoek naar speltherapie moet daarom voorzichtig omgesprongen worden.
Meer informatie over werkzame principes bij speltherapie vindt u in Speltherapie 
Overzichten van werkzame principes voor de werksoorten:
Pleegzorg is een vorm van zorg waarin pleegouders verblijf, verzorging en vervanging van de oorspronkelijke opvoedingssituatie aan het pleegkind bieden. Een professionele hulpverleningsinstelling begeleidt het pleegkind, de pleegouders en de biologische ouders.
Er zijn verschillende vormen van pleegzorg:
Bij de vraag naar ‘wat er werkt’ in de pleegzorg dient er een onderscheid gemaakt te worden in effectiviteit en kwaliteit.
Het onderzoek naar de effectiviteit van pleegzorg richt zich met name op therapeutische pleegzorg. Volgens internationaal onderzoek heeft therapeutische pleegzorg een matig positief effect op de afname van gedragsproblemen, het vergroten van het psychologisch aanpassingsvermogen van de jeugdige en het verminderen van geslotenheid van vervolgplaatsingen na vertrek. Therapeutische pleegzorg heeft een groot positief effect op de sociale vaardigheden van pleegkinderen en de stabiliteit van de plaatsing. Uit het onderzoek naar de effectiviteit van de opvoedingsvariant is gebleken dat de kans op voortduren van de plaatsing groter is wanneer een jeugdige op jonge leeftijd wordt geplaatst, geen ernstige gedragsproblemen heeft en nog niet vaak is verplaatst. Naar pleegzorg als hulpverleningsvariant is nauwelijks effectonderzoek gedaan.
Naast het onderzoek naar de effectiviteit, worden er in de literatuur ook aanwijzingen voor de kwaliteit van pleegzorg gevonden. Voor de pleegzorgorganisatie is het werven, trainen en ondersteunen van goede pleegouders de sleutel tot succesvolle pleegzorg. Een goede pleegouder moet op zijn beurt voldoen aan een aantal criteria: de pleegouder moet het pleegkind bijvoorbeeld kunnen beschermen en koesteren in een veilige en gezonde omgeving met onvoorwaardelijke positieve steun. Ook moet de pleegouder de relatie tussen het pleegkind, zijn biologische ouder(s), zijn familie en zijn leeftijdgenoten kunnen ondersteunen. Contact tussen het pleegkind en de biologische ouders hangt meestal samen met betere uitkomsten van de pleegzorg. Als biologische ouders en pleegouders bovendien wederzijds accepterend naar elkaar zijn, heeft dat een gunstige invloed op de aanpassing van het pleegkind.
In de wetenschappelijke literatuur zijn verschillende onderzoeken naar de effectiviteit en aanwijzingen voor de kwaliteit van pleegzorg gevonden. Het ontbreekt echter aan praktische kennis over de pleegzorg waarmee instellingen voor pleegzorg direct aan de slag kunnen. Daarnaast is er een gebrek aan Nederlands onderzoek. Amerikaans onderzoek is niet zonder meer bruikbaar, omdat er grote verschillen zijn tussen de pleegzorg in Nederland en de Verenigde Staten. Zowel praktische kennis als meer Nederlands onderzoek zijn dus noodzakelijk om de effectiviteit en kwaliteit van pleegzorg te kunnen optimaliseren.
Meer informatie over de werkzame principes in de pleegzorg vindt u in:
Wat werkt in de pleegzorg? 
Daghulp aan jeugdigen bestaat uit intensieve begeleiding en behandeling zonder dat zij helemaal uit hun eigen omgeving worden gehaald. Doordeweeks overdag of een deel van de dag krijgen de jeugdigen hulp in een instelling. De rest van de tijd zijn zij thuis.
Het begrip daghulp is niet eenduidig. Nationaal en internationaal blijken er grote verschillen te bestaan in de inhoud van de daghulp, het theoretisch kader dat gehanteerd wordt en de methodieken waarmee gewerkt wordt. Daarnaast kent het onderzoek naar daghulp methodologische beperkingen. Dit alles maakt het trekken van conclusies moeilijk.
Uit onderzoek zijn de volgende voorlopige conclusies te trekken:
Meer informatie over de werkzame principes in de daghulp vindt u in:
Wat werkt in de daghulp? 
Residentiële jeugdzorg omvat veel verschillende typen zorg voor jeugdigen: welke aanpak werkt daar nu wel en welke niet? Er zijn op basis van het beschikbare onderzoek al behoorlijk wat aanwijzingen te formuleren voor het werk in leefgroepen en voor behandeling.
Er is veel onderzoek gedaan naar het werk in leefgroepen en de kenmerken van kwalitatief goede orthopedagogische basiszorg. Daarnaast is er onderzoek beschikbaar naar de effecten van dit type zorg, echter voornamelijk voor jeugdigen met emotionele en gedragsproblemen of gedragsstoornissen en delinquent gedrag. Goede orthopedagogische basiszorg en effectieve behandeling blijken alleen gerealiseerd te kunnen worden als er aan randvoorwaarden wordt voldaan die liggen op het terrein van training en ondersteuning van het personeel, de inrichting van de organisatie en het gebouw waarin de zorg en hulp geboden wordt.
Goede orthopedagogische basiszorg wordt geboden in instellingen met de volgende kenmerken:
Effectieve zorg en hulp wordt geboden in instellingen met de volgende kenmerken:
Meer informatie over werkzame principes in de residentiële jeugdzorg vindt u in:
Residentiële jeugdzorg: wat werkt? 
Richtlijnen zijn aanwijzingen voor het handelen van een beroepskracht. Meestal komen richtlijnen tot stand door een combinatie van onderzoek naar de werkzame principes van effectieve interventies en overeenstemming over de gewenste aanpak. Een richtlijn is dus niet hetzelfde als een wetenschappelijk overzicht van de werkzame principes voor een bepaalde doelgroep of werksoort; een richtlijn bevat ook opvattingen over hoe te handelen. Om daarover overeenstemming te bereiken wordt doorgaans overlegd tussen wetenschappers, beroepsverenigingen en cliëntenorganisaties.
Voor het opstellen van richtlijnen bestaan voorschriften die aangeven hoe de richtlijnen tot stand moeten komen en wat de goede kwaliteit van een richtlijn kenmerkt.
Protocollen
Protocollen zijn voorschriften waarin stap voor stap de te plegen handelingen van de professional beschreven worden. Ze zijn in die zin veel specifieker en dwingender dan een richtlijn. Een ander verschil is dat een protocol niet noodzakelijk is gebaseerd op onderzoek.
Methodieken en handreikingen
Aanwijzingen voor het handelen van professionals komen we ook tegen onder de naam 'methodiek' of 'handreiking'. Vaak zijn dit aanbevelingen die niet tot stand zijn gekomen volgens de voorschriften voor het opstellen van richtlijnen. Bij het ontbreken van richtlijnen kunnen deze aanbevelingen voor professionals niettemin belangrijke informatie bevatten.
Richtlijnontwikkeling
In de jeugdsector wordt momenteel flink gewerkt aan de opbouw van richtlijnen. Elders op deze site vindt u daarover meer informatie:
Ook kunt u kijken op de websites van andere organisaties:
Het Nederlands Jeugdinstituut beheert drie databanken met informatie over erkende jeugdinterventies, effectiviteitsonderzoek, instrumenten en richtlijnen. Elders op deze site vindt u de databanken met diverse overzichten en zoekmogelijkheden:
Databank Effectieve Jeugdinterventies
De databank Effectieve Jeugdinterventies bevat informatie over programma's voor ondersteuning, preventie, behandeling en sancties. De interventies zijn gericht op kinderen, jongeren en hun opvoeders en op z'n minst theoretisch goed onderbouwd.
Naar de databank
Databank Nederlands Onderzoek Jeugd en Opvoeding
De databank Nederlands Onderzoek Jeugd en Opvoeding bevat zowel informatie over lopend onderzoek als korte beschrijvingen van afgerond onderzoek naar jeugd en opvoeding, waaronder onderzoek naar de effectiviteit van interventies.
Naar de databank
Databank Instrumenten, Richtlijnen en Kwaliteitsstandaarden
De databank Instrumenten, Richtlijnen en Kwaliteitsstandaarden bevat onder meer informatie over opgestelde richtlijnen voor effectief werken in de jeugdgezondheidszorg en jeugdzorg.
Naar de databank
Meer congressen voor de jeugdsector vindt u elders op de site in de agenda.
Hieronder vindt u een beknopte uitleg van begrippen die te maken hebben met effectiviteit van jeugdinterventies. De omschrijvingen komen uit de Jeugdthesaurus, die u elders op deze site kunt raadplegen.
Hieronder vindt u een greep uit de publicaties over effectiviteit van jeugdinterventies of aanverwante thema's. Elders op deze site vindt u een overzicht van alle NJi-publicaties.
Het Nederlands Jeugdinstituut was, in de persoon van Tom van Yperen, betrokken bij de redactie van het boek 'Zicht op Effectiviteit. Handboek voor praktijkgestuurd effectonderzoek in de jeugdzorg'. Dit handboek is te bestellen via de website van uitgeverij Eburon.