
Beeldschermverslaving: reden tot zorg?
Video van lezing prof. dr. P. Nikken (21 juni 2012)
Seks in de media (2011)
Onderzoek naar verband mediagebruik van jongeren en opvattingen over seksualiteit.
Seksualisering, reden tot zorg? (2009)
Rapport over de invloed van seksualisering op jongeren.
Kenniskring Media-opvoeding
Ontwikkelt een product dat ouders helpt bij media-opvoeding.
Peter Nikken is specialist op het gebied van jeugd, media en opvoeding.
Stel een vraag
|
|
Zowel in Nederland als in het buitenland zijn diverse studies uitgevoerd naar de mogelijke effectiviteit van mediaopvoeding door ouders. Maar tot nu toe geven die onderzoeken slechts een beperkt beeld. Daar zijn verschillende redenen voor:
Restrictieve begeleiding lijkt in het algemeen effectief bij het tegengaan van mogelijke negatieve effecten van de media. In gezinnen waar de ouders het computergebruik van hun kinderen controleren of bepaalde websites verbieden, hebben de kinderen bijvoorbeeld minder ervaring met vervelende contacten via e-mail of chatsites dan kinderen van minder restrictieve ouders (Livingstone en Helsper 2008). Daarnaast blijkt dat als televisiekijken of gamen aan banden wordt gelegd of wordt gecontroleerd kinderen minder vaak computerspelletjes spelen waar ze nog te jong voor zijn, dat ze zich socialer en minder gewelddadig gedragen, minder angstreacties vertonen bij geweld in het nieuws en minder snel instemmen met mediageweld (Nikken 2007). Amerikaanse jongeren bij wie het televisiekijken aan banden is gelegd hebben ook minder ervaring met seks (Schooler, Kim en Sorsoli 2006). Volgens recent longitudinaal onderzoek gaat restrictieve begeleiding ook vooraf aan seksuele onthouding: jongeren die minder televisie van hun ouders mogen kijken beginnen het jaar erna minder vaak aan seks dan jongeren die ongelimiteerd televisie mogen kijken (Bersamin en anderen 2008).
Tegelijkertijd blijkt dat restrictieve begeleiding soms geen effect heeft of zelfs contraproductief kan zijn. Dit lijkt vooral zo te zijn als kinderen ondanks het ouderlijk verbod toch weet krijgen van de verboden mediaproducten of wanneer zij er niet helemaal van weggehouden kunnen worden. Zo bleken kinderen die niet mochten kijken naar ernstig nieuws, zoals de moord op Theo van Gogh, juist meer angstreacties te vertonen en zich meer zorgen te maken dan kinderen die niet beperkt werden in het kijken naar het nieuws (Buijzen en anderen 2007). Mogelijk werd deze extra zorg veroorzaakt doordat de kinderen wisten dat er iets erg was gebeurd terwijl zij er verder geen informatie over kregen. Uit een andere studie bleek de wens van kinderen om producten uit reclames te hebben even groot in gezinnen waar ouders hun kinderen weghouden van tv-reclame als in gezinnen waar kinderen wel naar reclames mochten kijken (Buizen en Valkenburg 2005). Volgens de onderzoekers kan dit komen doordat het onmogelijk is om kinderen geheel reclamevrij op te voeden; er is altijd wel ergens reclame.
De actieve inmenging van ouders met het mediagedrag van hun kinderen is het meest onderzocht, ook in enkele experimentele studies. De meeste studies wijzen op de effectiviteit van actieve begeleiding, waarbij ouders met hun kinderen praten over de mediabeelden, en informatie, uitleg en hun eigen mening geven. Kinderen die actief begeleid worden zijn kritischer en meer betrokken bij de nieuwsberichtgeving, nemen gespeeld geweld minder serieus, zijn zich meer bewust van het geweld in de samenleving en vertonen minder angstreacties of zorgen bij berichtgeving over ernstige nieuwsfeiten (Nikken 2007a). Daarnaast wijst Nederlands onderzoek uit dat actieve begeleiding ertoe kan bijdragen dat kinderen een minder materialistische houding aannemen doordat zij kritischer worden over producten in reclames (Mens en Buijzen 2006; Buizen 2007; Buijzen en anderen 2008). Daarnaast lijken kinderen die actief begeleid worden minder vaak te vragen om producten uit reclames (Buizen en Valkenburg 2005). Ook op de mogelijke effecten van seks in de media kan actieve begeleiding invloed hebben. Nederlandse jongens en meisjes in het voortgezet onderwijs gaan minder snel akkoord met extreem seksueel gedrag wanneer hun ouders meer mediaopvoeding toepassen (Nikken 2007b), terwijl meisjes dan ook minder vaak seksuele ervaring hebben (Schooler en anderen 2006; Nikken 2007b). Deze verbanden worden gestaafd door experimenteel onderzoek (Bryant en Rockwell 1994) en longitudinaal onderzoek (Peterson, Moore en Furstenberg 1991).
Het effect van de gezamenlijke beleving van mediaproducties door ouders en kinderen is minder vaak onderzocht dan de effectiviteit van restrictieve of actieve begeleiding. Deels komt dit doordat sommige onderzoekers vinden dat het samen kijken, gamen of surfen niet als begeleiding kan worden beschouwd, omdat het niet altijd bewust gebeurt (Valkenburg en anderen 1999). Het kan zo zijn dat ouders en kinderen 'toevallig' dezelfde interesses hebben en daarom samen kijken, gamen of surfen. Toch is er alle reden om de gezamenlijke mediabeleving wel te onderzoeken als vorm van mediaopvoeding. Het is immers aannemelijk dat wanneer ouders in de buurt van hun kinderen zijn, zelfs als dat toevallig is, dat toch van invloed kan zijn op de manier waarop kinderen de media beleven. Vooral jongere kinderen kunnen zich veel meer op hun gemak voelen bij beangstigende beelden wanneer er een volwassene in de buurt is. Die geborgenheid kan kinderen troost en geruststelling bieden (Cantor 2003; Moyer-Gusé en Smith 2007). Bovendien kan non-verbale communicatie tussen neus en lippen door duidelijk maken hoe de informatie in de media geïnterpreteerd moet worden (Moyer-Gusé en Smith 2007).
Voor zover het onderzoek naar de gezamenlijke mediabeleving het toelaat, lijkt het er echter op dat meekijken of samen gamen of internetten niet altijd tot positieve effecten leidt: het kan zelfs contraproductief zijn. Kinderen die rapporteren dat zij vaak samen met hun ouders televisiekijken of games spelen, neigen meer naar agressief gedrag, keuren mediageweld eerder goed, spelen vaker games waar ze nog te jong voor zijn en denken vaker dat hun ouders het geweld ook goedkeuren (Nikken 2007). Uit deze studies blijkt echter niet of de gedrags- en houdingseffecten bij kinderen het gevolg zijn van het regelmatig samen kijken of gamen, of dat ouders door het gedrag van hun kinderen besluiten tot vaker meekijken of meespelen. De eerste verklaring is echter wel voor de hand liggend, omdat uit onderzoek bij televisiekijken en gamen ook gebleken is dat ouders vooral meekijken of samen spelen als zij minder zwaar tillen aan de mogelijke negatieve effecten van de media en als zij de positieve effecten wel belangrijk vinden (onder anderen Nikken en Jansz 2006).